FilmSlot: Cinefiel doolhof

Viennale 2013

  • Datum 19-12-2013
  • Auteur
  • Deel dit artikel

Jean-Pierre Léaud in OUT1 — Noli me tangere

Waar anders dan op de Viennale kun je op dezelfde dag de oude en de jonge Jean-Pierre Leaud ontmoeten, terwijl er op een steenworp afstand een retrospectief van Jerry Lewis loopt en je in de nachtvoorstelling nog snel de Indiase 3D-spookhuisfilm Haunted kunt meepikken. Hier geldt alleen de cinefiele hiërarchie.

Door Dana Linssen

De meest indrukwekkende voorstelling van de afgelopen Viennale was geen filmvertoning, maar een audio-opname in een
bioscoopzaal. Film met je ogen dicht? In het kader van een focusprogramma rondom het Harvard Sensory Ethnography Lab werden geluidswerken vertoond van Stephanie Spray (de film Manakamana die ze samen met Pacho Velez regisseerde zal ook op het IFFR te zien zijn) en Ernst Karel, de ook het geluid voor Leviathan verzorgde. De laatste is natuurlijk de ‘vissenfilm’ die het werk van het lab in een klap op de mondiale filmkaart zette.
In een donkere bioscoopzaal naar een leeg filmdoek kijken en alleen maar luisteren is om meerdere redenen een bijzondere ervaring. Allereerst natuurlijk omdat je het niet gewend bent. Zelfs op een leeg doek dringen de beelden zich op. De titels Dead Ice (Spray; opgenomen op een gletsjer in de Himalaya) en Swiss Mountain Transport Systems (Karel) spreken al zo tot de verbeelding dat je de onwereldlijke brom van schuivende ijsplaten en het tikken en sijpelen van smeltwater, of het ratelen van gondels, kabelbaantjes en bergliften en de zachte stemmenkakafonie van de mensen die ze bereizen, al automatisch via kleine anekdotes ruimtelijk probeert te plaatsen. Maar na verloop van tijd worden er andere vragen opgeroepen — daar zijn de (nabewerkte) geluiden gelukkig abstract genoeg voor. De sonische ervaring maakt je bewust van je eigen ‘blindheid’. Kunnen we — als doorgewinterde filmkijkers — zonder beelden geen geluid waarnemen? Of alleen maar als een zich in de tijd verstrijkend proces? Het duurt even, maar dan gebeurt er iets bijzonders: je zit ‘in’ het geluid. Tijd en ruimte zijn voor even één.

Doolhof van tijd
Een paar dagen later halen tijd en ruimte in datzelfde klassieke bioscoopje een andere truc met je uit. De Franse acteur Jean-Pierre Léaud is overgekomen om de integrale vertoning van Jacques Rivettes OUT 1 – Noli me tangere (1970/90) bij te wonen. De achtdelige, 769 minuten (bijna 13 uur!) durende film, losjes gebaseerd op de drie romans van Honoré de Balzacs Histoire du treize (1834/5) is mysterieus en labyrintisch. Rivette op z’n best. Het is een film op zoek naar z’n verhaal. Niet alleen via Balzac, maar ook via minu­tieuze (of ellenlange) scènes waarin twee theatergroepen Aischylos repeteren.
OUT 1 is een film van parallellen. Zo weerspiegelen de speelstijlen van Michael Lonsdales Prometheus geboeid-gezelschap en Michelle Moretti’s Zeven tegen Thebe-groep de stand van het toenmalige Parijse avantgardetheater. En ook de twee outsider hoofd­­­­personen, Colin (Léaud) en Frédérique (Juliette Berto), zijn tegenpolen en bondgenoten tegelijkertijd. Ze zijn dan wel de hoofdpersonen, maar hun levens kruisen elkaar amper. Los van elkaar dwalen ze door de film (en door Parijs!) op zoek naar bewijs dat er ook in het Parijs van 1970 nog steeds een Balzaciaans sinister ondergronds genootschap aan het werk is. Het is een detectiveverhaal om de weg in kwijt te raken, een doolhof van tijd.
En Léaud zit in de loge. Even stil als in de film. Met nog steeds dezelfde kooltjesogen waarom François Truffaut hem als kleine jongen castte in Les 400 coups. Zijn jonge zelf en zijn oudere gestalte vloeien naadloos in elkaar over.

Intiem
Waar anders dan op de Viennale kun je in de ene bioscoop dertien uur in een film verdwalen, terwijl op een steenworp afstand een Jerry Lewis-retro loopt, Will Ferrell als gast van het jaar wordt onthaald, en in de nachtvoorstelling nog de Indiase 3D-spookhuisfilm Haunted is te zien? Het festival slaagt er elk jaar weer in om met best of the fest-titels en publieksvriendelijke Oostenrijkse voorpremières, essayistische auteurscinema en indies van Amerika tot Azië, een programma samen te stellen dat intiem genoeg is om ontmoetingen tussen stijlen en stemmen te bewerkstelligen. Hier gaat het niet om prijzen, maar om filmische dialectiek, hier is de enige hiërarchie cinefiel.
Dat kan natuurlijk in zo’n relatief kleine stad, met nog steeds een prettig aandoend gutbürgerlich respect voor zogenaamd moeilijke films. De kranten schrijven erover, de bezoekers komen erop af. Ze kleden zich ervoor. Tussen de hipsterstudenten vallen de galagewaden niet uit de toon. Toch ontkomt ook het Weense festival, geprezen als cinefiel paradijs, niet aan vragen rondom multiplexisering. Steeds meer van de oude bioscopen (vaak met maar een zaal) in de Weense binnenstad moeten sluiten. Wat zal dat voor gevolgen hebben voor de zo cruciale sfeer voor het festival, waarin ook de wandeling van het ene naar het andere theater cruciaal is voor de reflexieve ruimte die het festival wil zijn? Ja, en soms een reflexief doolhof.
Het doet een beetje denken aan de laatste scène van Venetië Juryprijs-winnaar Stray Dogs van Tsai Ming-liang die er ook te zien was. Een scène waarin we Tsai’s vaste acteur Lee Kang-sheng en actrice Chen Shiang-chyi naar een muur zien kijken, we vermoeden dat het dezelfde muur is waarop we eerder al een muurschildering van de zee hebben gezien. Die schildering is een onverwacht panorama in een verlate, verlopen half-ondergrondse ruimte. Een parkeergarage, vergaderzaal of bioscoop. Een venster via het filmdoek. Een kader in een kader. Een vergezicht dat, als de camera draait, het filmdoek transparant maakt. Tot het geluid uitsterft.
Stephanie Spray vertelde dat ze zich voor haar geluidswerken liet inspireren door het boek Audio-Vision van de Franse componist/filmmaker/criticus Michel Chion, die onder andere beschrijft hoe geluid in film context aan de beelden geeft. Daarom was het zo bijzonder om in Wenen te beginnen met luisteren, en te eindigen met het wegsterven van geluid. En te ontdekken dat er zonder beelden nog steeds een cinematische ruimte kan zijn. En dat zonder geluid de beelden op het filmdoek zachtjes het trommelvlies doen bewegen en het geluid van de zee hoorbaar maken.