Viennale 2026: Amateurisme
Céline Sciamma koopt haar eerste camera
Tutti frutti
Filmkrant doet verslag van de 64ste editie van de Viennale, waar opvallend veel filmmakers dit jaar zonder veel middelen films maakten. Zij laten zien dat cinema ook klein, privé en amateuristisch kan zijn.
Zouden filmmakers meer zoals schrijvers moeten zijn? Gewapend met alleen een camera, onafhankelijk van het grote geld. Hun ideeën zonder tussenkomst op het scherm zichtbaar, net zoals er niets tussen de pagina en de schrijver is dan hun pen.
Alain Cavalier probeert het in Thanks for Coming, een essayfilm over het einde. Het is misschien wel de laatste film van de 95-jarige regisseur, en hij besluit om geen grootse productie te maken, maar zijn leven in fragmenten vast te leggen.
Cavalier is niet de enige regisseur in het programma van deze Viennale die cinema solo bedrijft. In haar essayfilm Tutti frutti vertelt Céline Sciamma dat ze wil ervaren hoe het is om in haar eentje een film te maken. In oktober 2023 koopt ze haar eerste filmcamera.
Soms krijgt ze de beelden maar niet scherp. De lens is smoezelig. Lichtvlekken en strepen verschijnen. Dan, drijvend op een gondel in Venetië, krijgt ze iets voor elkaar waar in de gehele filmgeschiedenis traditioneel minstens twee personen voor nodig zijn geweest. Een tracking shot. Twee bewegingen in één: van het kader en van het gekaderde. Het verstrijken van de tijd, gevangen op beeld.
In haar film reflecteert Sciamma op wat ze de “amateurpraktijk” van TikTok noemt. Solofilmmakers die “de taal [van cinema] op eigen kracht uitbreiden” en daarbij doen “wat doorgaans verboden is”. Het beeld slechts als drager voor orgastische geluiden. Het weerzinwekkende. Special effects die zonder enige terughoudendheid (en eventueel met behulp van AI) worden ingezet.
Wat maakt iets amateuristisch? Een schokkende camera, wind in de microfoon. De onzichtbare hand openbaart zich. Het medium dwingt zich aan je op. Professionaliteit vereist een soort gladheid, een vanzelfsprekendheid: het spel wordt niet als spel ervaren, het geluid niet als opgenomen. Het is de ruis, het gekraak, het acteerwerk als acteerwerk dat naar zichzelf wijst.
Sciamma filmt zichzelf terwijl ze de voice-over inspreekt, en deze beelden van de opnames verweeft ze weer in de film. Op momenten wordt haar diëgetische stem onderbroken en overgenomen door haar stem in voice-over, en uiteindelijk wordt die muziek. Sciamma is niet gewend om voor de camera te staan, zegt ze. Het is haar film die dat steeds weer afdwingt. Dat zij de camera vasthoudt.

Toen ik Radu Jude interviewde in 2023 vertelde hij dat hij steeds meer een amateur wil worden. The Diary of a Chambermaid is misschien wel zijn meest amateuristische film tot nu toe. Zoals Jude wel vaker doet, werden delen van de film opgenomen met een iPhone. Nu worden scènes middenin een zin afgebroken.
Vorig weekend leidde Jude de film in als zijn meest “schetsmatige”: in korte fragmenten schetst hij het leven van de Roemeense nanny Gianina (Ana Dumitrașcu) die inwoont bij een rijke familie in Bordeaux, en hij laat de kijker zelf de verbanden leggen. Ook hier springt het medium in het oog. Twee verfilmingen van de roman uit 1900 van de Franse schrijver Octave Mirbea worden over elkaar heen gelegd: een dienstmeid anno nu speelt de dienstmeid Célestine uit Le Journal d’une femme de chambre. Als beide dienstmeiden is haar acteerwerk ruw, ongeraffineerd, en dat lijkt misschien nog wel meer het geval te zijn omdat Dumitrașcu als Gianina maar blijft hameren op het feit dat ze niet kan acteren. Een echte acteur die een amateuracteur speelt. Het zijn kunstgrepen die niet soepel in de film worden geïntegreerd, maar onze blik naar het medium brengen. De exploitatie van het ‘echte’, van ‘authenticiteit’.
Bij Chronovisor draait alles om het medium. De film gaat over Béatrice Courte (Anne-Laure Sellier), een hoogleraar neurowetenschap die tijdens haar onderzoek stuit op een vermelding van de ‘chronovisor’, een apparaat dat de gehele geschiedenis kan weergeven. Het grootste deel van de film bestaat uit pagina’s uit boeken waardoor Béatrice bladert. Echte boeken. In 1972 beweerde Pellegrino Ernetti daadwerkelijk een tijdmachine te hebben gebouwd waarmee gebeurtenissen uit het verleden konden worden waargenomen en vastgelegd.

Net als Béatrice in de film, stuitten de debuterende filmmakers Jack Auen en Kevin Walker op een tekst over de chronovisor. Het onderzoek dat we zien, is in grote lijnen een reproductie van het onderzoek dat ze zelf deden, als “wannabe academics”. Ik vond het misschien wel de meest waarheidsgetrouwe weergave van de academische wereld die ik ooit heb gezien. Misschien omdat Sellier echt een academicus is – ze geeft les in Parijs.
De kennis in deze boeken, die in het Oudgrieks, Spaans, Italiaans, Frans, Duits en Engels zijn geschreven, wordt overgebracht door de Engelse vertaling van bepaalde passages in witte letters over de tekst heen te plaatsen. Daardoor ben je het grootste deel van de film bezig met lezen. Alles draait om het papier, de letters, de fysieke aard van het medium. Deze informatie had allemaal in beeld kunnen worden gebracht in plaats van verteld, maar dan zouden we het gevoel van verwondering kwijtraken, evenals de frustratie van de zoektocht, de cirkelredeneringen en het idee dat informatie ons vanuit de ether bereikt.
Auen en Walker maakten de indie-film voor 55.000 dollar. Met een productiehuis was dat nooit gelukt – dat zou zeker hebben afgeraden om een film te maken die voornamelijk bestaat uit beelden van Selliers ogen en pagina’s tekst. En dan zouden we misschien wel de bijzonderste film van het jaar hebben gemist.
Diary of a Chambermaid is vanaf 10 december 2026 te zien in de Nederlandse bioscopen. De overige genoemde films hebben nog geen distributeur.