Viennale 2026: De aftrap
1 + 1 = 3
Forever…Forever
Filmkrant doet verslag van de 64ste editie van de Viennale, dat op donderdag van start ging met twee korte films. Rain Set Action van Kelly Reichardt en Forever…Forever van Johann Lurf vangen de experimentele geest van het festival.
“Film is traditie.” Zo opende festivaldirecteur Eva Sangiorgi de 64ste editie van de Viennale. Die woorden doen, zeker binnen de conservatieve context van Oostenrijk, misschien denken aan degelijke cinema. In combinatie met het feit dat er op dit festival (bijna) geen wereldpremières plaatsvinden, zou de indruk kunnen ontstaan dat de Viennale het bekende boven het vernieuwende kiest.
Toch viert het festival vooral het filmexperiment. Ook in de retrospectieven, waar de Viennale bekend om staat, komt deze experimentele geest naar voren. Dit jaar onder meer rond de Amerikaanse filmmakers Robert Aldrich, die binnen het studiosysteem van Hollywood iconoclastische films als Kiss Me Deadly (1955) en What Ever Happened to Baby Jane? (1962) maakte, en Phil Solomon, bekend van zijn experimentele korte films en videowerken als Empire (2008) en American Falls (2010).
Omdat de Viennale geen competitie heeft, en zich dus niet druk hoeft te maken om wereldpremières, kan ze naar hartelust kiezen uit het rijke aanbod aan films die het afgelopen jaar in première zijn gegaan in Berlijn, Cannes, Venetië en Toronto, maar ook op de kleinere, experimentelere festivals van Locarno, San Sebastián, Jeonju, Buenos Aires en ja, Rotterdam.
Sangiorgi’s nadruk op traditie betekent vooral een nadruk op de technische aspecten van de filmkunst, en juist binnen dit kader bloeit het experiment op. Want film is niet zomaar een optelsom van licht en lichtgevoelig materiaal. Als je deze twee bij elkaar voegt, ontstaat er nog iets anders. Iets waar een filmmaker niet altijd invloed op heeft. Iets ongrijpbaars, dat niet zomaar in woorden te vatten is. Kijk maar naar de openingsfilm Forever…Forever van de Oostenrijkse filmmaker Johann Lurf, dat Sangiorgi in haar praatje niet voor niets “een manifest voor het festival” noemde.
Voor die korte film bouwde Lurf een weersbestendige 65mm camera, waarmee hij 22 maanden lang een stuwmeer in Neder-Oostenrijk filmde. Met deze speciale camera kon hij gedurende zeer lange perioden ononderbroken time-lapse-opnamen maken. Door de belichtingstijd van elk beeld geleidelijk te verlengen, versnelde hij het verstrijken van de tijd exponentieel: het einde is maar liefst tienduizend keer sneller dan het begin. Bij deze beelden maakte de audiovisuele kunstenaar Jung An Tagen een bijzondere soundtrack gebaseerd op de natuurlijke cycli, waarbij hij de hemellichamen elk hun eigen specifieke geluid of frequentie toebedeelde.
Tot zover de techniek. In Forever…Forever trekken 22 maanden in 21 minuten voorbij. Het is alsof je vanuit een steeds sneller gaande trein de wereld aan je voorbij ziet razen. Alleen sta jij stil, en is het de wereld die beweegt. De wolken worden meegesleurd. De zon wordt weggesmeten. De sterren zijn als vallende sterren, behalve dat ze omhoog gaan, naar buiten, weg van ons.
Een tijdje – het is onmogelijk te zeggen hoe lang – raakte ik gefascineerd door een vorm helemaal rechts op het scherm. Ik realiseerde me dat het een toren was, met een boom die ervoor groeide. Maar ’s nachts weerkaatste het kunstlicht van het stuwmeer erop en veranderde de vorm in iets antropomorfs. Een man, dacht ik naïef, een man met een camera. Telkens wanneer de nacht zijn intrede deed, keek ik er weer naar. Is het de filmmaker, fantaseerde ik, die eroverheen is geprojecteerd?
Lurf droeg de film op aan zijn overleden vader en pasgeboren zoontje. Naarmate dag en nacht elkaar steeds sneller afwisselen, begint de film een hartslag te krijgen. Op het einde klinkt het alsof een hart stopt met kloppen. Biep, biep, biep, bieeeeeeep. Een hartmonitor die het einde inluidt. En dan, wanneer de belichtingstijd op zijn langst is, beginnen dag en nacht in elkaar over te vloeien. Leven en dood, samen op één beeld.

Dat een festival met een korte film opent, is relatief zeldzaam (al leverde Leos Carax in 2024 ook de Viennale-opener met C’est pas moi). Lurf introduceerde zijn film met de kanttekening dat het niet vanzelfsprekend is dat een korte film als op zichzelf staand werk wordt geprogrammeerd, en dus niet in een programma met andere korte films. Alhoewel, op zichzelf staand… Forever…Forever werd bijgestaan door een voorprogramma: het nog kortere Rain Set Action van Kelly Reichardt.
Reichardts twee minuten durende short is officieel de trailer van het festival, en dient als een soort voorbereiding op het programma. De film bestaat uit drie halfafgewerkte versies van een scène bedoeld voor The Mastermind (2025), die echter de film niet haalde. Een stem buiten beeld roept “actie”, en een vrouw loopt een gebouw binnen. Tegelijk komt er iemand anders door de draaideur naar buiten. De camera volgt haar terwijl ze naar buiten loopt, en richt zich dan op een man die op de achtergrond in de regen loopt. Telkens stopt de opname en begint hij opnieuw, waarbij hij iets langer duurt. Een soort ‘Ik ga op vakantie en neem mee…’, waarin een reeks wordt herhaald en er telkens iets aan wordt toegevoegd.
Als je dat begin opnieuw en opnieuw bekijkt, vallen je ogen op andere details. De manier waarop de vrouw loopt, hoe ze een trekje aan haar sigaret neemt, haar schoenen, haar kleding, de manier waarop de regen achter haar valt.
Door terug te blikken, komen er soms nieuwe dingen tevoorschijn.
Forever…Forever is te zien op IDFA (12 tot 22 november 2026, Amsterdam), met onder meer twee vertoningen in 70mm in Eye Filmmuseum.