Venetië 2026: Heterofatalisme
Afgelopen, maar niet voorbij
Woman Unknown. Foto: Jasper Spanning
Op de 83e editie van het filmfestival van Venetië doemde de vraag op: wat is er nog over van het liefdesverhaal?
Slavoj Žižek vroeg me wat ik zou doen als een jongen me leuk zou vinden, maar mijn tatoeages niet mooi zou vinden. “Ik val niet op jongens”, antwoordde ik. Ik dacht dat dit een correctie en antwoord in één zou zijn. Misschien: vrouwen houden van tatoeages. Of: vrouwen zouden me nooit dwingen om te veranderen. Misschien ben ik nu essentialistisch.
Een van de controverses op het filmfestival van Venetië dit jaar ging over The Basics of Philosophy, waarin homoseksualiteit in verband zou worden gebracht met pedofilie. Dat zijn film verkeerd begrepen werd, benadrukte Paul Schrader, inmiddels tachtig, in een interview. Hij vertelde dat hij een mooi kind ziet en in de verleiding wordt gebracht. “Oké, gedachte blokkeren.”
Ik knikte (zo voer je een interview), maar ik dacht alleen maar: what the fuck.
Tijdens de persvertoning die avond, met mijn blauwe badge (pers, tijdschrift) om mijn nek, vroeg een man naast me of ik student was. Ik stelde mezelf voor als criticus. Pas toen schudde hij me de hand.
Het is een serieus festival, dus er is geen ruimte voor vrouwen. Ik chargeer. Er was één film van een vrouw in competitie. Twee, als je coregisseurschap meetelt. Alle andere films die door vrouwen waren ingezonden, waren rotzooi, zei de festivaldirecteur. Andere films in competitie waren ook rotzooi, maar dat maakt niet uit. Rotzooi van mannen is anders dan rotzooi van vrouwen. Dat weten we allemaal.
Dan de vrouwen op het scherm. In Stéphane Brizé’s Un bon petit soldat werkt de vrouw. Ze werkt zo hard dat ze haar zoon kwijtraakt. De ex-man kijkt toe. Ze zijn in der minne gescheiden; hij is eigenlijk een heilige. In de winnende film Woman Unknown (Kvinde ukendt) is liefde na de Tweede Wereldoorlog slechts een middel om te overleven. Marie is dienstbode. Haar rijke werkgever zal met haar trouwen, zolang ze zich gedraagt zoals het hoort.
Ik vroeg me af hoe het zat met de liefde in Lee Chang-dongs Possible Love (Ganeunghan sarang), of het überhaupt wel liefde is wat de ontslagen arbeider en zijn vrouw voor elkaar voelen. Of dat het gewoon een berustend samenzijn is.
In Florian Zellers Bunker, dat meer een beeld schetst van een uiteenvallend huwelijk dan van de bunker die een architect van middelbare leeftijd in opdracht van een miljardair bouwt, is de relatie van man en vrouw gereduceerd tot wantrouwende blikken en hoofden die de andere kant op zijn gedraaid in bed. Om me heen lachten mensen uit herkenning. Misschien ben ik toch een student – in spirituele zin dan, dacht ik. Naïef, groen, gelovend in verlossing door de ander.

Ik herkende mezelf enigszins in Léa Domenachs musical Peau d’homme, althans in de idylle van de liefde. Een vrouw trekt de huid van een man aan om haar toekomstige echtgenoot te ontmoeten, maar ontdekt dat hij een “invert” (homo) is. Zij blijft een vrouw, ze trouwen nog steeds. Ze zorgen voor elkaar, en ze werpen ook de Kerk en het patriarchaat omver.
Dan was er Nicolas Parisers Un peu avant minuit, een film ván onze tijd óver onze tijd, waarin een man terugblikt op de relaties en affaires van zo’n vijfentwintig jaar geleden, toen hij nog redacteur was bij een klein cultuurmagazine. Zijn mannelijkheid is een valse belofte, liefde is dood, zelfs in zijn herinneringen is zijn jeugdelijke passie ongepast. Lopend door Parijs zoekt hij naar antwoorden, maar vindt er geen; zijn behoefte iets af te sluiten irriteert de oude vlammen die hij opzoekt. “Ben je nu vrijgezel?”, vragen ze hem. “Nee, ja, nou ja”, luidt zijn antwoord. Zijn relatie is afgelopen, maar nog niet voorbij.
In Un peu avant minuit komen vrouwen voor, maar ze zijn niet echt. Ze praten en handelen, ze spelen een prominente rol, maar het is net als die freudiaanse splitsing: een Superego om alles in toom te houden. De man, Léo, is het Ego en het Id in één. Hij moet nog wat in het gareel worden gebracht, maar hij is de man, hij is de film, het draait allemaal om hem. Maar zijn tijd is op. Hij maakt plaats, móét plaatsmaken. Voor wat? Wat komt er na hem?
Het socialistische congres is leeg, de Parijse politie rukt al uit, de monumenten achter hem zijn beklad met “ACAB”. Zijn negentienjarige dochter houdt een spandoek vast en kijkt in de camera.
Het is bijna middernacht. Nog heel even.