Lichting 2026: Theo Warnier over De jaren des onderscheids
'Je hoeft als filmmaker niet alles dicht te timmeren'
De jaren des onderscheids
In aanloop naar de Studentencompetitie op het Nederlands Film Festival interviewt Filmkrant de hele zomer afgestudeerde filmtalenten van verschillende academies. In Theo Warniers afstudeerfilm voor het KASK in Gent volgen we een jonge schrijver die al dwalend haar plaats probeert te vinden in het volwassen leven. “Ik geloof dat een kijker ook een beetje mag verdwalen.”
Niels (QiQi van Boheemen) zwerft door thuisstad Brussel, luistert in cafés naar gesprekken en zoekt op het Nederlandse platteland toenadering tot haar vader (Michiel Romeyn). Ze schrijft, maar het blijft onzeker of de buitenwereld op haar schrijven zit te wachten.
Een klassiek verhaal over volwassen worden levert Theo Warniers film niet op. De jaren des onderscheids bestaat uit ontmoetingen, stiltes en gesprekken die aanvankelijk nergens heen lijken te gaan, maar langzaam het portret vormen van iemand die rust zoekt in een wereld die voortdurend om haar heen beweegt.
Warnier kent dat grijze gebied zelf. “Tijdens een opleiding kun je zeggen: ik ben filmmaker aan het worden. Daar kun je je identiteit aan ontlenen. Daarna gaat het ineens over wat je al hebt gedaan en wie je al bent.” Kunst maken noemt hij een manier om jezelf in de wereld te positioneren, bijna een vorm van bestaansrecht. “Maar dat bestaansrecht hangt af van de buitenwereld. Of je gepubliceerd wordt, geselecteerd voor een festival, of je subsidie krijgt om je werk te realiseren. Iets heel persoonlijks wordt zo afhankelijk van erkenning.”
Op zijn achttiende werd Warnier afgewezen voor de Nederlandse Filmacademie. Hij trok naar Berlijn, bleef iedere zomer films maken (zoals hij dat al sinds zijn vijftiende deed), ging in Amsterdam filosofie studeren en ontdekte midden in de coronaperiode tijdens het schrijven van zijn bachelorscriptie, dat hij het monnikenwerk van filosofische teksten analyseren geweldig vond, maar geen behoefte had aan nog meer academische papers. Hij wilde gewoon films maken. Fulltime.
Zijn wens bracht hem bij het KASK in Gent, waar scenario en regie niet gescheiden worden. “Het is echt een schrijvers-regisseursopleiding. Je doet alles met iedereen en we helpen elkaar ook met camera, productie, decor, et cetera.” In het eerste jaar moest hij twaalf films maken: vier fictiefilms, vier documentaires en vier experimentele films. Voor het laten rijpen van gekoesterde ideeën was geen tijd. “Je leert om niet gierig te zijn met je eigen ideeën. Je hebt een idee? Oké, bam. Meteen maken.”

Veel afstudeerfilms willen laten zien wat een maker allemaal kan, met technische bravoure, symboliek of een stapeling van grote emoties. De jaren des onderscheids doet het tegenovergestelde: geen bewijsdrang, wel een wereld waarin kleine observaties en alledaagse gesprekken langzaam betekenis krijgen. Opmerkelijk zelfverzekerd voor een jonge maker.
Warnier ziet zichzelf als een verzamelaar. Het is een omschrijving die doet denken aan Agnès Varda, die zichzelf in Les glaneurs et la glaneuse (2000) omschreef als iemand die verzamelt wat anderen laten liggen. Naast het grote idee van zijn films, hier de existentiële onzekerheid van het slagen als beginnend kunstenaar, bouwt hij vervolgens aan zijn films met indrukken die langzaam aan elkaar hechten. “Ik zie iets en kan het uit zijn context halen en ergens anders neerzetten. Bijna alles in de film komt ofwel uit de werkelijkheid ofwel uit een geabstraheerde vorm daarvan.” Kijken, bewaren, af en toe uitzoomen om te zien wat zich heeft verzameld.
De zee belt
Eén scène vormt een uitzondering op zijn verzamelde werkelijkheid. Niels’ telefoon gaat, maar aan de andere kant zegt niemand iets. Ze hoort alleen de zee. “Ik had ooit opgeschreven: hoe vet zou het zijn als iemand wordt gebeld door de zee?” Het idee bleef jaren liggen tot het zijn plaats vond in deze film. In andere handen zou het poëtische symbool uitgemolken kunnen worden. Warnier houdt het subtiel en klein: een hand, een telefoon, de zee, een plek van verlangen waar iedereen meteen een beeld bij heeft. Het ideale cinematografische cliché, aldus Warnier.
Die eenvoud is geen afwijzing van verhaal. Warnier: “Je kunt niet géén verhaal hebben. Maar ik vind het mooi als het klein en eenvoudig is, zodat er ruimte overblijft voor sfeer en verbeelding.” Betekenis hoeft van hem niet volledig door de maker te worden aangeleverd. “Je hoeft als filmmaker niet alles dicht te timmeren.”
Waar cinema vaak probeert de kijker volledig in haar greep te houden, vertrouwt Warnier op de verbeelding van de kijker. Het is een verfrissende opvatting die in veel filmkringen aan heiligschennis zou grenzen. Warnier: “Het is fijn als een kijker af en toe afdwaalt. De film dient eerder als partituur voor de eigen verbeelding. Een kijker mag best afgeleid zijn door eigen associaties, of dat nou gaat over boodschappen doen of juist een andere mooie gedachte.”
Zoals Niels door de stad beweegt zonder precies te weten waar ze uitkomt, mag ook de kijker tijdelijk een andere afslag nemen en later weer terugkeren. “Ik geloof in een actievere kijker”, zegt Warnier. “In een kijker die zelf ook een beetje mag verdwalen.”
De jaren des onderscheids is opgenomen in de officiële competitie van het Nederlands Film Festival (25 september t/m 2 oktober 2026).