Dandelion’s Odyssey

Unieke, betoverende wereld

Dandelion’s Odyssey

Door creatieve vermenging van echte beelden, animatie en een fantasierijke blik ontstaat een unieke wereld vol kalme betovering en eigenwijze charme.

Je mag het best een tour de force noemen: vier breekbare zaadpluisjes van een paardenbloem die zich ontpoppen als de onverwachte helden in een avontuurlijke fabel die ze ver de kosmos in voert. Terwijl kernexplosies de aarde in brand zetten, worden de pluisjes de ruimte ingeblazen om via een zwart gat op een vreemde planeet te belanden. Daar beginnen ze aan een wonderbaarlijke, vaak hachelijke, soms tragische maar ook wel aandoenlijke en amusante tocht, op zoek naar vruchtbare aarde.

Dandelion’s Odyssey (Planètes, Fipresci-prijs van de internationale kritiek in Cannes) van de Japans-Franse Momoko Seto ontvouwt zich vooral als een prachtig gefotografeerde verkenning van de wereld waarin die pluisjes hun weg moeten vinden. Een beetje als in Flow (Gints Zilbalodis, 2024), over dieren op een overstroomde aarde, maar dit gaat nog een stapje verder.

Een reis ook door Seto’s heel eigen fantasie, die zowel ingetogen als uitbundig en excentriek is. Een tegelijkertijd vreemde en realistische wereld, waarin de pluisjes zich ontwikkelen tot echte personages, zonder dat het sprookjesfiguren worden. Ze spreken bijvoorbeeld niet, maar door subtiele bewegingen en kleine geluidjes krijgen ze wel emotie en karakter. Ze duikelen en struikelen, zijn verbaasd en nieuwsgierig, en ook bezorgd om elkaar.

Bijzonder geslaagd is de organische vermenging van animatie met live gefilmde beelden, ondersteund door een prikkelende muzikale score. Van IJsland tot Japan filmde Seto indrukwekkende landschappen, naast liefkozende slakken, een aardappel als boot en minuscule, lichtgevende zeediertjes. Die dan weer de indruk wekken enorme ruimtewezens te zijn. Een creatief spel dat uitnodigt tot nieuwsgierig rondkijken.

Dat die pluisjes zelf, hoe realistisch ook, computeranimaties zijn zal niemand verbazen. Maar het is verrassend om te vernemen dat al die andere sciencefictionachtige groeisels en creaturen geen animaties zijn, maar echt. Alleen zijn ze in werkelijkheid heel klein. Door ze met een macrolens te fotograferen lijken ze plots heel groot en kan een doodgewone sprinkhaan de allure van een enorm monster krijgen.

Aan de andere kant kunnen op het eerste gezicht heel realistische fenomenen, zoals een grote vloedgolf, juist wel animatie zijn. En hoewel het een verre planeet heet te zijn, laat Seto toch onze eigen maan even aan de nachthemel verschijnen.

De dreiging dat al die vondsten en ontmoetingen een gevoel van herhaling gaan oproepen wordt bezworen door de betrekkelijk bescheiden lengte van de film. Plezierig is daarbij dat de film nooit een pretentieuze indruk maakt, al kan je er evengoed een holistische ode aan de kosmos in zien, waar de allerkleinste schepsels en de grootste sterrenstelsels samengaan. Maar de echte sterren blijven die pluisjes, met hun eigenwijze charme.