Lotte Stoops over GRANDE HOTEL

Een hotel vol geesten

  • Datum 28-04-2011
  • Auteur
  • Deel dit artikel

Foto Angelique van Woerkom

Het belangrijkste personage van grande hotel is een megalomaan vervallen hotel dat onderdak biedt aan vijfentwintighonderd straatarme Mozambikanen. "Ze zeiden: ‘je bent compleet zot als je daar naar binnen gaat’."

Even balen was het wel, toen ze hoorde dat IDFA haar eerste lange documentaire had afgewezen. Lotte Stoops begon meteen te twijfelen: had ze er wel goed aan gedaan om zich als beeldend kunstenaar aan een andere discipline te wagen? Ze besloot door te zetten. Stoops probeerde het in Rotterdam en overleefde daar de selectie wel. Inmiddels zit grande hotel in de competitie van IDFA’s grote concurrent Hot Docs! en krijgt hij zelfs een bescheiden uitbreng in de bioscoop.
Het vormt de terechte erkenning voor het lef dat de debuterende Stoops aan de dag legt. Ze lijkt te putten uit alle studies die ze afrondde: kunstgeschiedenis, film- en theaterwetenschappen en zelfs wiskunde. grande hotel is een even compacte als breed uitwaaierende karakterschets van het gelijknamige gigahotel in de Mozambikaanse stad Beira. Een imposant koloniaal pronkstuk toen de Portugezen het in 1955 uit de grond stampten. Maar in vijftig jaar veranderde de twaalfduizend vierkante meter stenen kolos in een ruïne.

Hoogmoed
Stoops wordt rondgeleid door twee van hen, Moises en Lapiston, en plakt verhalen over de roemruchte geschiedenis op de geluidsband achter filmische observaties van de grijsgrauwe, troosteloze bouwval. Maar zonder in een droge aaneenschakeling te verzanden. Haar bouwstenen zijn niet een chronologie of één of meerdere personages, maar abstracte, overkoepelende thema’s.
De doordachte, bijna formuleachtige structuur maakt het moeilijk te geloven dat grande hotel bij toeval ontstond: tijdens een bezoek aan Mozambique, zoals Stoops op het Filmfestival Rotterdam vertelt. "Ik heb op mijn reizen de vreemde gewoonte om één maand op één plek te blijven. In dit geval was dat Beira, waar het Grande Hotel op honderdvijftig meter van mijn hotelletje lag. Ik kwam er langs als ik ’s ochtends koffie ging halen. Vanaf het eerste moment dat ik oog in oog stond met de imposante verschijning, was ik gefascineerd. Een kleine stad in een grote stad, waar mensen niet alleen wonen, maar ook naar de kapper gaan, hun matras laten repareren, en een vechtfilm gaan kijken. In feite nauwelijks anders dan het oorspronkelijke hotel, met zijn eigen supermarkt, casino en postkantoor."
Het Grande Hotel werd gebouwd als een enclave voor de rijke Europese jetset, die in de Portugese kolonie vakantie kwam vieren. Ook de huidige bewoners zijn in zekere zin geïsoleerde buitenstaanders, vertelt Stoops. "Locals zeiden: je bent compleet zot als je daar naar binnen gaat. Het Grande Hotel heeft onder de bevolking een enorm slechte reputatie. De mensen die er wonen, dragen allemaal een stempel op hun voorhoofd. Maar als je er nooit komt, word je er juist bang voor. Wat de boer niet kent, dat vreet-ie niet."

Je lijkt overal parallellen te schetsen die tevens contrasten zijn. De oude vrouw Berta is terug in het land van haar voorouders, maar voelt zich er ontheemd. Niet Portugal maar het Grande Hotel, een vakantieresort nota bene, beschouwt ze als haar enige echte thuis. Een andere schijntegenstelling: zelfs in de grootste shit kun je nog iets van je leven maken. Zelfs op een ruïne wordt opnieuw gebouwd. Zo zijn er in het hotel cinemahutjes waar bewoners voor een appel en een ei een Chinese kungfu-film kunnen bekijken. Vreselijke geweldsfilms, niet eens ondertiteld. Alleen maar om voor even de realiteit te ontvluchten. Die behoefte bestaat overal, in Nederland, België, en dus zelfs in een van de armste landen ter wereld. Dat je dat als mens nodig hebt, heeft me enorm geraakt.

Andere bewoners gaan juist verder met de destructie. Dilat is mijn personage van de afbraak. Hij verkoopt de stenen van het hotel per kilo. In feite werkt hij zo aan de vernietiging van wat hem al 31 jaar onderdak geeft. Moises lijkt juist heel constructief bezig, omdat hij elektriciteit laat aanleggen. Maar de kwaliteit van de techniek is zo belabberd dat het risico op kortsluiting enorm is. In deze vorm van opbouw ligt het verval dus feitelijk alweer besloten.

Je laat het verleden mooi resoneren in het heden, door audio-interviews over vroeger te combineren met registraties van het vervallen hotel van nu. Dat was een rigoureuze keuze. Ik heb hiermee de geesten van vroeger in het hotel willen laten rondwaren. Een hotel is bij uitstek geschikt voor zo’n aanpak. Iedere hotelgast vraagt zich af wie zijn voorgangers waren. Ik heb hard voor deze stilistische aanpak moeten knokken. Doorgewinterde documentairemakers dachten dat het onmogelijk goed kon uitpakken. Kijkers zouden iemand die onzichtbaar blijft niet geloven. Ze zouden geen band kunnen opbouwen met de personages. Misschien ben je emotioneel inderdaad minder sterk bij hen betrokken. Daar staat tegenover dat je dichter bij de huidige bewoners blijft.

Je creëert zo ook een contrast tussen de historische mythes over het hotel en de rauwe hedendaagse realiteit. De verhalen over vroeger zijn deels documentair te staven, deels ook niet. Ik weet dat niet alle feiten kloppen, maar dat maakt me eerlijk gezegd geen fuck uit. Het zijn subjectieve waarheden. Ik onderstreep dat door twee muzikale composities door elkaar heen te laten lopen. De een is het liedje dat werkelijk gespeeld werd toen de Titanic zonk, de ander het liedje dat volgens de overlevering gespeeld werd. Dat is veel dramatischer. Dat is ook mijn verhaal: ik gebruik mooie citaten van mensen, zelfs al zijn ze historisch niet helemaal correct. De realiteit bestaat nu eenmaal uit feiten vermengd met verzinsels.

Je speelt ook graag met de vorm. Ja, al heb ik het mezelf daarmee niet bepaald gemakkelijk gemaakt. Het was nog een hele klus om al die verschillende lijnen op een evenwichtige manier te laten samenvloeien. Voor mijn gevoel klopt het zo. Al zit er dan geen cliffhanger in. En ook geen talking heads.

Niels Bakker