World Wide Angle (NL) – 3 maart 2011
FLYING FISH
De Australische filmcriticus Adrian Martin schuimt het wereldwijde web af. Hij becommentarieert opvallende discussies en tendensen rond films en filmmakers, in webzines, weblogs etc. Deze maand: ‘Lange lont’.
Een van de mooiste dingen aan een festival als dat in Rotterdam is dat je altijd honderd compleet verschillende films tegelijk aan het kijken bent, en daardoor de meest vreemde en onwaarschijnlijke verbanden kunt aanvoelen. Komt de beste filmkritiek niet voort uit dit soort vormeloos delirium, waar films in elkaar overlopen?
Festivals als Rotterdam zijn, omdat er eigenlijk geen alternatief is, uitgegroeid tot de enige vertoningsplek voor wat tegenwoordig ‘contemplatieve cinema’ wordt genoemd: langzame, minimalistische films met lange takes, long shots of haakse tracking shots in statische kaders, uitgerekte stiltes, geen muziek maar natuurlijk geluid en lange sequenties waarin alledaagse activiteiten als wandelen of koken centraal staan.
Veel van deze films (of ze nu gemaakt zijn door Lav Diaz, Béla Tarr, Lisandro Alonso of José Luis Torres Leiva) kunnen beladen zijn met dat wat niet gezegd wordt, niet geleefd, dat wat geheim of onderdrukt is. Slechts zelden wordt in deze films iets verbaal geuit; de last van de expressie ligt bij uitwendige factoren: de lichaamstaal van gebaar en postuur, en vooral de omgeving, in de vorm van landschap of architectuur.
Wat me in Rotterdam opviel is hoe vaak dit soort films tegenwoordig eindigt — na al hun banaliteit, alledaagsheid en welbewust er-gebeurt-eigenlijk-niets — in een plotselinge uitbarsting van schijnbaar onverklaarbaar geweld. Moord, zelfmoord en zelfs brute castratie maakten hun opwachting in het festivalprogramma, bijvoorbeeld in de zeer bestudeerde en puristisch minimalistische Sri Lankaanse film flying fish.
Over het algemeen eindigen deze minimalistische/contemplatieve films in een moord door schiet- of steekpartij. Soms is het een ware orgie van geweld, zoals in de troosteloze Oekraïense film met de ironische title my joy. Aan het eind van die film stormt een karakter dat we een half uur niet gezien hebben plotseling een politiebureau binnen om daar alle aanwezigen in koelen bloede neer te schieten. Maar we hebben het hier niet over films van Peckinpah of Tarantino. Dit is een zeer uitgebeende en verfijnde vorm van kunstfilm die, na een zeer lange ontstekingstijd, plotseling een conventie uit de genre- of exploitatiefilm inbrengt. Misschien heeft Bruno Dumonts 29 palms (2003) hiervoor recentelijk de mal gevormd.
Het hele gedoe begon halverwege de jaren zeventig, met Chantal Akermans jeanne dielman uit 1975, waarin een aantal dagen en nachten in het leven van een huisvrouw/prostituee worden getoond, eindigend met de moord op een van haar cliënten. Of misschien nog eerder, met Rainer Werner Fassbinders warum läuft herr r. amok? (1970), een van de reeks studies die deze regisseur maakte naar geweld als uitweg uit het onheil van de dagelijkse uitbuiting op het werk of thuis. Deze structuur werd dan ook al in de jaren zeventig uitstekend beschreven door de critici Manny Farber en Patricia Patterson: een deel van Fassbinders ‘geritualiseerde syntax’ is, schreven zij, de plotselinge openbaring van ‘geweld en spanningen achter onthutsend alledaags gepraat’.
Een ketterse gedachte: ik vraag me af of er een soort puur genot zit in het afsluiten van twee of meer uur contemplatieve, minimalistische cinema met een uitbarsting van gewelddadige dood. Het is simpel te interpreteren als een soort orgasme, een climax die langzaam en luisterrijk is voorbereid. De impulsen achter de hedendaagse contemplatieve cinema hebben vele oorsprongen en zijn door vele factoren beïnvloed, maar dit lijkt mij een onvermijdelijk erotisch bestanddeel. Ik weet in ieder geval dat het een onderdeel is van het immense plezier dat ik zelf aan deze films beleef: een lange lont, met een oerknal aan het eind.
Adrian Martin | vertaling Joost Broeren