FADOS
Vol traan en een beetje lach
Carlos Saura laat de fado in al haar verschijningsvormen zien. fados is een film die zichzelf bij het ontstaan betrapt.
Van de fado, het Portugese volkslied vol traan en een beetje lach, moet je houden. En vooral moet je ertegen kunnen, al die teksten vol onmogelijke, voorbije, moeizame of om wat voor reden dan ook mislukte liefdes. Natuurlijk, de fadistas bezingen vol revolutionair en patriottistisch sentiment ook de Portugese natuur, cultuur en volksaard, Lissabon en de koloniën, de dood en de mysteries van het leven, maar na een of twee liedjes komt de liefde toch altijd om aandacht vragen — en dan meestal zonder happy end.
Dus zorg dat je hart stevig zit ingepakt wanneer je naar Carlos Saura’s fados gaat kijken; de selectie van dik twintig liederen spaart de gevoelens niet en met te veel liefdesverdriet op zak is het uitzitten van deze film een ware marteling. O eenzaamheid, o verlangen, o geliefde die mijn aandacht niet waard blijkt, ‘Deze dans is de droom van mijn hoop / die mij liet zien dat je liefde vals was’. Iedereen doet mee, al dan niet in levende lijve: van Mariza tot Carlos do Carmo, van Amália Rodrigues tot Alfredo Marceneiro, allen geven ze zich over aan de fado ‘alsof het mijn eerste is’. Zie je wel dat het bij fado eigenlijk altijd over de liefde gaat.
Aftroeven
De tableaus waarin Saura de optredens vat, gaan veel verder dan pure registratie, hoezeer muziek en woord ook de boventoon blijven voeren. In navolging van flamenco (1995) en tango (1998) blijft fados in een enkele ruimte: een zaal met een glimmende dansvloer en diverse wanden, die van lied op lied van gedaante wisselt en toch altijd die zaal met dansvloer en wanden blijft.
Alles is erop gericht de vele gezichten en vormen van de fado te laten zien. De ene keer wordt een traditioneel lied gevolgd door een hiphopremix en de andere keer door een ‘Fado flamenco’. Zoals dansensembles het veld ruimen voor een soloballet, zo kleuren de wanden het ene moment geel en paars om het volgende als spiegel, projectiescherm of schaduwtheater te dienen. Een duo wordt een gezelschap, danseressen zwieren in Droste-effect, de maan komt op, de ruimte transformeert tot een taveerne of een bruin café waar oude én jonge zangers elkaar proberen af te troeven.
Je kunt er Lissabon in zien, Portugal of toch gewoon een studio, je kunt zoeken naar parallellen tussen beeld en tekst, maar aan de kunstmatigheid en het abstracte van Saura’s aanpak valt niet te ontsnappen. Zeker niet wanneer de dansers nog niet klaar zijn met repeteren en de altijd gewichtloze camera over mengpanelen, spotlights en crewleden zweeft. fados, zou je kunnen zeggen, is een film die zichzelf bij het ontstaan betrapt — iets wat voor veel van Saura’s werk geldt, zeker de eerdere dansfilms. Je zou kunnen mopperen dat die kunstmatige aanpak onderhand zijn frisheid en nieuwheid verloren heeft. Aan de andere kant: wie durft hetzelfde te beweren van al die films die met zogenaamd realistische decors werken? Heeft er ooit iemand op Scorsese gevit dat ‘ie alwéér New York als set heeft gebruikt?
Kevin Toma