NOORD-KOREA, EEN DAG UIT HET LEVEN

"Ik kan niks anders"

Na Ramses zei Pieter Fleury te willen stoppen met filmen. Hij had tabak van de bureaucratie die zijn creativiteit om zeep hielp. Vervolgens vertrok hij naar het meest bureaucratische land ter wereld: Noord-Korea, om terug te keren met toch weer een film.

Pieter Fleury

"Rottige contracten, beperkte draaiomstandigheden en soms persoonlijke vernederingen" zorgden ervoor dat Pieter Fleury (1955) na het maken van De onzichtbare werkelijkheid (2000), onderdeel van de ’10 geboden’-serie, besloot te stoppen met het maken van documentaires. Zelfs het succes van Ramses, où est mon prince, die in 2002 een Gouden Kalf won, kon daar geen verandering in brengen. "De voornaamste reden is dat ik in het huidige systeem van subsidies, voorzichtigheid en dubbele agenda’s alleen met een buitenproportionele krachtsinspanning goede prestaties kan neerzetten," schreef Fleury in november 2002 in NRC Handelsblad.
Nu zegt hij er dit over: "Het probleem is de hybride overgang van een gesubsidieerde kunstuiting naar de commerciële eisen die televisie aan de exploitatie daarvan stelt. Dat zijn voor mij twee verschillende grootheden die in mijn hoofd een conflict veroorzaken tussen de eisen van de omroep en die van mezelf: ik kan daar niet mee werken. Van De onzichtbare werkelijkheid, over het werk van NOS-verslaggever Gerry Eickhof in Srebrenica, had ik aanvankelijk grote verwachtingen, maar uiteindelijk had het niet de sjeu die ik wilde. Dat kwam door de concessies die ik in de montage had gedaan. Achteraf vind ik dat ik te veel heb geluisterd naar kritiek van buiten, van omroepmedewerkers. Hoe houd je je koers vast onder die druk? Dat lukte me niet goed genoeg. Misschien ben ik wel te beleefd, te gevoelig voor kritiek."

Staatsfilmbureau
Toen Fleury besloot te stoppen, had hij nog één film op zijn palet — een documentaire over China, waarvoor hij al met research was begonnen. Het moest zijn laatste worden. Maar zolang hij geen toestemming had in het land te filmen, was geen omroep bereid om in het project te stappen. Fleury besloot daarom om er een dubbelproject van te maken, met een tweede film over buurland Noord-Korea. Uiteindelijk lukte het alleen om daar binnen te komen.
Fleury: "Noord-Korea heb ik gemaakt volgens de nieuwe norm: vanuit vertrouwen. Mijn afnemers weten wie de film maakt en ik weet voor wie ik het maak. Een kwart A4’tje en af en toe een gesprek met VPRO’s Tegenlicht waren daarvoor genoeg. Ook in het geval van het NOS-Journaal, waarvoor ik een drieluik over het land maakte, was het een kwestie van vertrouwen. Onder die omstandigheden functioneer ik goed."
Dat de gemaakte afspraken niet genoeg waren voor een financieel gezonde bodem onder het project, weerhield Fleury er niet van om naar Azië af te reizen. Hij nam een tweede hypotheek op zijn huis om de 250.000 euro kostende documentaire te kunnen financieren.
Fleury maakte uiteindelijk de documentaire die hem voor ogen stond: een dag uit het leven van een Noord-Koreaanse arbeidersfamilie, met de politieke situatie op de achtergrond. Dat hij daarvoor moest samenwerken met het staatsfilmbureau, deerde hem minder. Voorafgaand aan de film wordt daarom vermeld dat Noord-Korea, een dag uit het leven is gemaakt ‘onder auspiciën van het ministerie van Cultuur van de Volksrepubliek Noord-Korea’. Fleury: "In de praktijk betekende het dat ik continu werd begeleid door twee mensen van het filmbureau. Zij bepaalden wát ik filmde, maar niet hóe. Als tegenprestatie heb ik bedongen dat ze geen inspraak kregen in de montage."

Rode laarsjes
Noord-Korea, een dag uit het leven is een wrang-humoristisch portret geworden van een modelgezin, waarvan moeder Hong Sun Hui in een textielfabriek werkt, haar broer Engelse lessen volgt en het dochtertje op de peuterspeelzaal leert hoe de grote leider Kim Jong Il zijn rode laarsjes teruggaf uit solidariteit met zijn vriendjes die op gympjes door de sneeuw moesten. Op de achtergrond blijkt met welke problemen de ‘ideale’ samenleving kampt als de stroomvoorziening het begeeft, de jassenproductie tegenvalt en er venters op straat te bespeuren zijn. Dat het land nog steeds met voedseltekorten en ondervoeding kampt, dat dissidenten in strafkampen worden opgesloten en dat het land nucleaire verdragen schendt, daarover wordt in de observerende documentaire van Fleury geen noot gekraakt.
Fleury: "Ik had de behoefte om dat land wat neutraler te belichten dan de westerse propaganda die wij kennen; dus dan maar de oosterse variant. Maar daar kun je wel van leren hoe zij naar zichzelf kijken. Had ik kritischer moeten zijn? Nee. Ik wilde informeren, zonder vooringenomen houding. Hoe opener, hoe beter. Het is simpel: van alles in Pyongyang heb ik 1% gezien en dan ook nog het mooiste deel. Natuurlijk is mijn film niet representatief. Maar het gedrag van de mensen wel. Mijn film zet het systeem neer en laat zien dat een aantal mechanismen hetzelfde zijn als hier. De indoctrinatie is dezelfde. Waar zij de hele dag worden opgeroepen de grote leider te aanbidden, krijgen wij bakken met reclame over ons heen die ons aanzetten tot consumeren. Waar zij de Amerikanen tot aartsvijand hebben, worden wij voor de moslimwereld bang gemaakt. Het is allemaal een kwestie van hoe je wordt geïnformeerd."
"Mijn eigen film financieren heeft voor mij één groot voordeel gehad: ik ben op geen enkel moment gefrustreerd geraakt. Ik ben liever iemand met een schuld achter mijn naam dan dat ik miezerig bezig moet zijn." Fleury zegt te zijn teruggekomen op zijn eerdere besluit: hij is alweer aan een volgend project begonnen. "Italiaanse olijfolie verkopen is ook een vak en ik kan nu eenmaal maar één ding: films maken."

Karin Wolfs