Hollywood

In het echte Hollywood hadden ze geen kans gemaakt

Hollywood

Regisseur Ryan Murphy speelt een chaotisch spel met de filmgeschiedenis in zijn tweede grote Netflix-serie: in zijn ‘Hollywood’ buitelen vrouwen, Afro-Amerikanen en homoseksuelen samen naar de top.

Amerika, halverwege de jaren veertig. Oud-soldaat Jack Castello (David Corenswet) heeft zijn zinnen gezet op een filmcarrière en verhuist op de bonnefooi naar Hollywood. Een baantje in het pompstation van raspende kettingroker Ernie (Dylan McDermott) blijkt forse bonussen op te leveren: klanten die om een ritje naar ‘Dreamland’ vragen, komen voor seks. Jack zwicht voor het geld, en scoort via tevreden klant Avis Amberg (Patti LuPone), zelf een gefrustreerd actrice, een contract bij de studio van haar man (een heerlijk lompe Rob Reiner). Jack is binnen; nu nog een rol.

Wat volgt in de Netflix-serie Hollywood is een sprookje. Dat put voor ongeveer vijftig procent uit Hollwood’s echte, behoorlijk ranzige verleden, en ontsproot voor de andere helft aan de fantasie van regisseur Ryan Murphy, de Netflix-lieveling die in 2018 voor vijf jaar werd ingelijfd voor een recordbedrag van 300 miljoen dollar. Zijn huidige machtspositie niettegenstaande identificeert Murphy zich nog altijd met outsiders: als homoseksuele zoon uit een Iers-katholiek gezin in Indiana weet hij hoe het is om je ongezien en onbegrepen te voelen. Zijn lovenswaardige missie als tv-maker is om minderheden eindelijk hun plek in de spotlights te geven: Glee draaide om buitenbeentjes op een high school, Pose om de LGBTQ-gemeenschap in New York eind jaren tachtig.

In Hollywood werpt Murphy zijn net nog verder uit: het vriendenclubje van Jack Castello bestaat uit louter outcasts. De Afro-Amerikaanse homoseksuele schrijver Archie hoopt op de verfilming van zijn script, de half-Aziatische regisseur Raymond wil het regisseren en zijn vriendinnetje Camille, een zwarte actrice die vastzit in domme bediendenrolletjes, aast op de hoofdrol.

In het echte Hollywood van 1947 hadden ze geen van allen kans gemaakt – actrice Hattie McDaniel won weliswaar een Oscar voor Gone With the Wind (1939), maar ze moest moeite doen om de feestzaal binnen te komen. Hier lukt álles, in een hink-stap-sprong-script vol slordig uitgewerkte toevalligheden. Boze witte mannen aan de top worden ontslagen. Archie’s film wordt gemaakt, en heel Amerika loopt ervoor uit. Archie’s vriendje Rock Hudson, een van de uit de werkelijkheid geplukte figuren die ook in de serie worstelt met zijn seksualiteit, durft voor het oog van de natie uit de kast te komen.

Een fijne fantasie, en Murphy en zijn vormgevers herscheppen met zichtbaar genoegen de glamour van toen – maar de goede afloop is zo voorspelbaar en de jonge acteurs krijgen zulke houterige soap-dialogen voor hun kiezen dat hun knappe, lege koppies op den duur gaan vervelen. De ware kracht van Hollywood schuilt in de zijpaden. Joe Mantello speelt een mooie, stille rol als de introverte studiobaas Dick Samuels, een van die talloze ‘onzichtbare’ gays die hun carrière danken aan onkreukbaar gedrag en daar een hoge emotionele prijs voor betalen. Jim Parsons (Sheldon uit The Big Bang Theory) ontstijgt zichzelf als Henry Willson, een vilein serpent van een agent die vloekt, dreigt, aanrandt en verraadt om zijn cliënten in ‘sterren’ te veranderen. Willson heeft echt bestaan, en krijgt hier een diep-tragisch reliëf.