Eaten Alive

De maniak met de zeis

Eaten Alive

Cultsucces kan schadelijk zijn. Zo stond Tobe Hooper een carrière lang in de schaduw van The Texas Chainsaw Massacre. Maar het prettig gestoorde Eaten Alive (1976) geeft aan dat de horrormeester zijn schriftuur telkens aanpaste, ook al bleef hij focussen op marginaliteit en het verdrongene.

Stuurs en bizar. Getraumatiseerd door de gruwel van de Eerste Wereldoorlog. Getekend door de Depressiejaren. Zo omschrijft een familielid in een bonusdocumentaire op de nieuwe Franse bluray van Eaten Alive (Le crocodile de la mort) seriemoordenaar Joe Ball, de ‘Slachter van Elmendorf’. Zeker, hij vermoordde ook enkele vrouwen. Maar dat hij de klanten van zijn bar zou hebben gevoederd aan de alligators in de poel achter The Sociable Inn, dat was een verzinsel. Een Texaanse legende. Voer voor magazines als Life en True Detective. En voor Tobe Hooper (1943-2017), de Zuiderse bedenker van Leatherface die ervan hield horrorverhalen te situeren in landelijk Texas en te verankeren in het brute verleden van in de marge levende individuen die balanceren op de grens van woede en waanzin. Iemand voor wie een wrede, macabere en absurde wereld weerspiegeld wordt in groteske figuren. Monsters die met één been in het universum van de kermis en het andere in een nachtmerrieachtige realiteit staan. Zoals de psychotische redneck Judd in Eaten Alive, een mix van legende Joe Ball en Hitchcocks Norman Bates.

Hooper begon zijn carrière met een Texaans drieluik van familiale en rurale horror dat opende in het afgelegen huis van kannibalen (The Texas Chainsaw Massacre) en afsloot op een kermis waar adolescenten ontdekken hoezeer het gezin een gevangenis kan zijn (The Funhouse). Tussendoor bezocht hij een geïsoleerd motel ‘in the bayou‘ waar klanten ‘eaten alive‘ worden (meteen ook twee titels van de film) door een reuzekrokodil. Een grotesk namaakmonster dat ‘werkt’ omdat Hoopers universum even claustrofobisch als kunstmatig en surrealistisch is.

Eaten Alive opent met een aan Hammer en Universal monsterfilms herinnerende volle maan om even later een meisje met koffer vanuit een bos te laten arriveren bij het groezelige, vervallen Starlight Hotel. Wat volgt is een sprookje vol onafwendbare gruwel waar geweld en seksualiteit verbonden worden, families disfunctioneel zijn en religieuze en patriottische principes de kop opsteken. De toon van Eaten Alive vond Hooper toen hij bij een locatiebezoek aan Tippi Hedrens leeuwenranch Shambala in een kamer plots oog in oog kwam met een echte leeuw. Eentje die leek op de MGM-leeuw. “Het bracht me op het idee om het verhaal een tikje The Wizard of Oz mee te geven,” aldus Hooper in het op de dvd bijgeleverde interview. Hij maakte de nachtmerrie surrealistisch: “Ik besloot om te draaien in een studio waar duisternis overheerst en bij momenten alles te overspoelen met bloedrood licht, bizarre kleuren en rook.”

Toch blijft er een link tussen het irreële en de realiteit. De mentale stoornis van de hoofdpersoon is verbonden met heden én verleden, met een dagelijkse overlevingsstrijd én een oorlogstrauma. Veteraan-met-houten-been Judd waakt, eenzaam en vervreemd, in zijn kamer angstvallig over zijn Zuiderse vlag en vuurwapen. Met zeis en krokodil ziet hij zich als bewaker van het moeras, als verdediger van de erfenis van zijn voorvaderen. Indringers kunnen niet ontkomen, ze lijken één voor één aangetrokken door het noodlot, maar ook Judd verdwijnt door toedoen van zijn troetelmonster.

De tragiek van Judd wijst op Hoopers sympathie voor marginalen en marginaliteit. Achter het masker van de psychopaat schuilt menselijkheid en lijden. Eaten Alive heeft ook een een dubbele bodem. Het portret van een zieke geest evoceert een maatschappelijke malaise, weerspiegelt een samenleving waar uitsluiting, religieus fanatisme, seksisme, ongelijkheid, isolement, gewelddadigheid en paranoia heersen. De horror is die van de wereld. Het mag dan worden gecamoufleerd met een laagje beschaving, maar het verdrongene, het slechte geweten van Amerika, komt altijd weer naar oppervlakte. Chaos verstoort steevast de orde.

Met dit theatrale huis clos geeft Hooper aan dat sprookjes een donkere onderstroom hebben. De yellow brick road leidt naar een betoverd moerasland waar duisternis heerst en de dood, de man met de zeis, ook op kinderen jaagt. Kinderen die, in tegenstelling tot volwassenen, niet blind zijn voor het gevaar. Omdat de onheilspellende sprookjeswereld voor hen, in tegenstelling tot volwassenen, vertrouwd is. De jonge Angie weet zich in Eaten Alive te verstoppen onder het huis wanneer het geweld escaleert. Een explosie die tegelijk grotesk, grappig en gruwelijk is. In zijn kitscherig spektakel mixt Hooper immers humor en angst, theatraliteit en realisme. Met dank aan de door zijn alcoholverslaving en gewelddadigheid wat losgeslagen acteur Neville Brand, bekent Hooper gretig (“Nu zouden hij en ik in problemen zijn geraakt”). De agressie en onvoorspelbaarheid die van de hoofdrolspeler uitgaat past bij het groteske, maniakale personage en de absurde, verdorven sfeer.

Die combinatie van kunstmatigheid en authenticiteit, van realistische en surrealistische effecten is bijzonder. Het levert een betoverende nachtmerrie op, magische en uitvergrote gruwel. Horror hoort, door het perverse en het angstaanjagende te combineren, verontrustend te blijven, wist Hooper. Maar dat kon ook gepaard gaan met macabere humor en groteske stilering. “Eaten Alive bevat bizarre elementen die je nergens elders vindt”, stelt Hooper. “In tegenstelling tot veel cultfilms zit er geen logica in. Het is een gekke film omwille van het verhaal en de manier waarop dat verteld wordt. Ik ben blij dat ik hem gemaakt heb en dat hij bestaat.” Ook al omdat deze surrealistische trip aangeeft dat de specialist van viscerale horror meerdere gezichten heeft. Net zoals de maniak met de zeis.