Charlie’s Country
Leven in Limboland
De Australische regisseur van Nederlandse herkomst Rolf de Heer toont in Charlie’s Country de gevolgen van de koloniale onderdrukking van Aboriginals. De film is een krachttoer voor acteur David Gulpilil, die met het maken ervan zijn eigen demonen uitdreef.
Door Joost Broeren
Een "toevallig ontstane trilogie" noemde regisseur Rolf de Heer het, toen ik hem sprak op het afgelopen Film Festival Rotterdam. In The Tracker (2002) toonde hij de komst van blanke kolonisten naar Australië, in Ten Canoes (2006) de Aboriginal-cultuur van vóór de westerse invloeden. Charlie’s Country voltooit het drieluik en toont de desastreuze resultaten van die koloniale geschiedenis in het heden.
Maar misschien meer nog dan een beeld van de Australische Aboriginal-cultuur van de afgelopen paar honderd jaar, ligt achter deze drie films de geschiedenis van één man: acteur David Gulpilil. Ten tijde van het maken van The Tracker, waarin hij de titelrol vertolkt, was hij een van de meest gevierde acteurs en verhalenvertellers in Australië. Maar tijdens het maken van Ten Canoes, waarvoor hij als verteller de voice-over insprak, raakte hij gebrouilleerd met zijn gemeenschap in Ramingining, in het noord-Australische gebied Arnhem Land. Hij verhuisde naar de stad en raakte daar langzaam maar zeker aan lager wal, zozeer dat De Heer zijn vriend en collega enkele jaren terug moest opzoeken in de gevangenis. Charlie’s Country is in zekere zin ook bedacht als therapie voor Gulpilil.
Het resultaat is een film die je kunt zien als een persoonlijke hartenkreet. Het scenario kwam grotendeels uit Gulpilils koker — De Heer staat naar eigen zeggen vooral als coscenarist op de rol omdat hij Gulpilils ideeën structuur gaf — en Blackfella Charlie, het door hem gespeelde titelpersonage, lijkt in veel opzichten op zijn bedenker. Het is een intense, beklijvende rol, die Gulpilil terecht de prijs voor beste acteur opleverde in Cannes, waar de film vorig jaar in première ging in de sectie Un Certain Regard.
Vernietiging
Hoewel de toon overwegend goedmoedig is, is de onderhuidse woede goed voelbaar. Woede over de koloniale overheersing die de cultuur die in Ten Canoes zo liefdevol werd geportretteerd, in feite vernietigd heeft. Die vernietiging gaat nog steeds door, toont Charlie’s Country, al is de film evengoed eerlijk over de zelfvernietiging door drank en drugs die welig tiert in de gemeenschap. Charlie begint de film als toonbeeld voor hoe het hoort: hij drinkt niet, maant zijn vrienden niet te roken, is een steun voor zijn buren en leeft op ogenschijnlijk vriendschappelijke voet met de plaatselijke (blanke) agent. Maar al direct slaan De Heer en Gulpilil ook barstjes in dit beeld: na een vriendelijke groet in het Engels, kaffert Charlie de agent op even vriendelijke toon uit in zijn eigen taal.
De relatie verslechtert wanneer steeds meer van Charlies traditionele leven door de overheid wordt ingeperkt: zijn jachtbuit wordt ingenomen omdat hij geen vergunning heeft. Onder de eufemistische noemer ’the intervention’ doet de Australische overheid de laatste jaren pogingen de criminaliteit onder Aboriginals in te dammen, maar vaak, lijken Gulpilil en De Heer te stellen, komt dat neer op dwang om zich te conformeren aan de westerse, stedelijke levensstijl.
Charlie zet zich daar tegen af en neemt afscheid van de beschaafde wereld. Terug naar de natuur, waar de verhalen van zijn gemeenschap ontsproten. Maar al snel blijkt hij ook daar niet meer thuis te horen. Het is het begin van een zoektocht voor een man die gevangen is tussen twee culturen. Een zoektocht waar hij hopelijk, net als de acteur die hem speelt, iets wijzer uit komt.

Filmkrant.Live verzorgt in mei introducties bij must see Charlie’s Country
Cinecenter | Amsterdam
8 mei 16.00 uur
Filmtheater | Hilversum
28 mei 19.00 uur
Door Joost Broeren