Een ‘filmhystericus’ herinnerd

  • Datum 01-01-2014
  • Auteur
  • Deel dit artikel

Geoffrey Donaldson

Geoffrey Donaldson ontsloot de oerjaren van de Nederlandse cinema. Een nieuw boek eert zijn levenswerk.

Door Mark van den Tempel

Het is amper nog voor te stellen, maar er was een tijd was waarin iemand met interesse naar de vroegste jaren van de Nederlandse cinema nergens terecht kon. Vijfentwintig jaar geleden was er nog geen internet, en de beschikbare informatie bij de bestaande archieven was beperkt en vaak slecht toegankelijk. Feitelijk bestond er toen maar één betrouwbare bron: Geoffrey Donaldson. Geheel op eigen houtje had deze geboren Australiër decennialang onderzoek gedaan naar de vormingsjaren van de Nederlandse film. Waarom? Goede vraag. Donaldson was geen uitgesproken liefhebber van de Nederlandse cinema. Hij was simpelweg gestuit op een enorm gebrek aan kennis, en had het op zich genomen die kennis dan maar zelf te vergaren. Titel voor titel, acteur voor acteur: een monsterklus.

Eind jaren tachtig maakte ik deel uit van het team dat in het archief van het toenmalig Nederlands Filmmuseum de identificatie-achterstanden van de collectie weg moest werken. Een structurele operatie, waar de overheid veel geld in had gestoken. Bij het openen van alweer een doos lang geleden geparkeerd, stokoud filmmateriaal stuitte ik op een zwijgend filmpje met Nederlandse tekstjes. Ervan overtuigd dat het wel eens bijzonder kon zijn, liet ik er de gebruikelijke identificatiemethoden op los, maar niets matchte. Een tip van een collega bracht me ertoe Donaldson een brief (ja, een brief) te sturen, en antwoord liet niet lang op zich wachten. Ik moest maar eens langskomen in Rotterdam.

Ervan overtuigd dat ik de amateurhistoricus misschien dan geen Heilige Graal, maar dan toch tenminste een Heilig kopje bracht, presenteerde ik trots mijn vondst aan Donaldson. Ik had foto’s laten maken van enkele filmbeelden, waarop duidelijk te zien was hoe een negentiende-eeuwse acteur een grote kop Van Houten Cacao aan zijn lippen zetten. Als dat niet het oudste Nederlandse reclamefilmpje was, dan wist ik het niet meer. "Een ogenblikje", zei Donaldson, en verdween achter een wand in zijn appartement, waar zijn levenswerk aan het oog onttrokken lag. Hij kwam er weer vandaan met een dossiermap, waarin tot in detail mijn filmpje beschreven stond! Donaldson wist titel (De Nieuwe Prikkel), maatschappij, acteur en zelfs locatie (Het Paleis van Volksvlijt). "Is dit wat u zoekt?", vroeg hij minzaam. Tijdens het doornemen van oude revueprogramma’s was hij op de bewuste informatie gestuit. Dat ik hem bewijs bracht van het oudste bewaard gebleven stukje Hollandse speelfilm, leek hem totaal niet van zijn stuk te brengen.

Tegenwoordig snap ik Donaldsons onderkoelde reactie beter. Jarenlang was hij niet serieus genomen door de bestaande filmautoriteiten, inclusief het Filmmuseum. Tot zijn grote ergernis konden filmjournalisten de grootste flauwekul over die oerjaren schrijven, en was er niemand die hen corrigeerde. Ik maakte in zijn ogen deel uit van dat establishment, en hij kon zo eens goed laten zien waar de echte kennis lag. Bij hem. Vlak daarna begon de rehabilitatie van Geoffrey Donaldson. Hij kreeg een Gouden Kalf, een prachtig naslagwerk (Of Joy and Sorrow) en zijn verbluffende archief ligt nu ontsloten in Eye. Geoffrey overleed in 2002, a job well done.

Sinds kort is er zelfs een instituut dat zijn naam draagt. Het GDI bevordert onderzoek naar de filmcultuur in Nederland, en heeft als eerste wapenfeit een boekje samengesteld. In Een leven voor de film staan teksten van en over Geoffrey Donaldson, met bijdragen van kenners als Henk van Gelder en Ivo Blom. Geoffreys eigen artikelen tonen een man met een aan maniakaalheid grenzende hang naar juistheid. Een ‘filmhystericus’ noemde zijn eigen vriend hem. Veel van zijn verhalen eindigen dan ook met een sneer naar voorgangers die het bij het verkeerde eind hadden. Uit de herinneringen komt eenzelfde beeld naar voren. Een ietwat verlegen Pietje Precies, die best zijn kennis wil delen, maar er ook nieuwe feitjes voor terug wil: quid pro quo.

Blom schrijft ook over de uitputtende briefwisselingen die Donaldson voerde. Misschien is een bloemlezing daaruit iets voor een nieuwe uitgave van het GDI?

Geoffrey Donaldson: Een leven voor de film | Samengesteld door Egbert Barten | GDI 2013 | 178 pagina’s.