Cannes 2014: Telling is showing

  • Datum 17-05-2014
  • Auteur
  • Deel dit artikel

Timbuktu van Adberahmane Sissako

Taal zaait verwarring in Cannes. In Timbuktu van Adberahmane Sissako. In Amour fou van Jessica Hausner. In de gerestaureerde klassieker Providence van Alain Resnais. Hoe moet je leven in een wereld waar de dingen zo kunnen zijn, maar ook zo? Leven en dood, recht en rechtvaardigheid, herinnering en werkelijkheid. En wat zijn woorden, dan zwakke afschaduwingen van het leven?

Zou de tijd van de zwijgende artfilm voorbij zijn? Van die man die in de verte staart? Er is nog nooit zoveel gepraat als in de eerste films die in Cannes op het programma stonden. Maar het is niet zomaar gepraat. Geen Woody Allen-gebabbel of Richard Linklater-gemijmer van woorden die een gebrek aan leven moeten verzachten. Geen venijnige dialogen, geen opruiende vertogen, geen toverspreuken, poëzie of goddelijk ‘er zij licht’. Het praten is meer een mitsen en maren, een zoeken naar betekenis in een wereld die zich ambigue aan de hoofdpersonen voordoet, maar voor de toeschouwer door de kracht van de beelden eigenlijk heel simpel lijkt.

De taal ondermijnt, creëert een virtuele werkelijkheid. Of het nu in Abderahmane Sissako’s dialectische Timbuktu is, Nuri Bilge Ceylan’s Winter Sleep (beide in competitie) of Jessica Hausners Amour fou (Un Certain Régard).  Het zijn films van grote stilisten, die zeker niet hoeven vertrouwen op dialoog om hun film duidelijk te maken. Het zijn door de dialogen ook films die over meer gaan dan waar ze over gaan. Alsof de subtekst nu eens niet in de handeling ligt, maar in de ambiguïteit van woorden en vragen als: wat is de ware Islam, wat is rechtvaardigheid, wat is vrijheid, leven, liefde, dood?

Neem bijvoorbeeld Amour fou, een tragi-romantische komedie over het zelfmoordpact tussen dichter Heinrich von Kleist en Henriette Vogel. Hausner (Lourdes) maakte een strakke tableau-achtige film, waarin de personages als marionetten bewegen. Henriette zit vastgesnoerd in haar huwelijk, haar echtgenoot in zijn vernieuwingsideeën, en Von Kleist, die ze op een van hun culturele avondjes ontmoeten, in zijn Weltschmerz. "Wil je samen met mij een einde aan je leven maken?", vraagt hij aan elke vrouw die hij ontmoet, bij wijze van zwarte variant op de ‘meet cute’ uit de romantische komedie. Bij Henriette treffen deze woorden doel, als een dolksteek, dodelijk al voor ze uitgesproken zijn, zo vatbaar is ze voor zijn vragen die morrelen aan de zin van haar bestaan.

Het zorgt voor een vreemde spanning. Henriette raakt als het ware geïnfecteerd door de taal, of de mogelijkheden die taal en denken bieden. Ze refereert aan Die Marquise von O (1808) waarin Von Kleist beschrijft hoe een vrouw in bewusteloze staat zwanger is geraakt en op zoek gaat naar de vader. Dan ontdekt ze dat het de man is van wie ze houdt, van wie ze vervolgens, "natuurlijk", vat Henriette het samen, niet meer kan houden.

Dingen kunnen dus zo zijn en niet zo. En dan toch niet helemaal. Omdat je er weer aan moet twijfelen.

Is het doden van een koe die in de netten van een visser verstrikt raakt wezenlijk anders dan het schot dat de eigenaar van die koe vervolgens (in een gevecht) op de visser lost? Is het begrijpelijk dat de familieleden van de visser de man niet vergeven, omdat hun pijn te groot is, ook al veroordelen ze hem daarmee ter dood? Dat zijn de vragen die Timbuktu zich stelt, gecompliceerd doordat in het anonieme woestijnstadje waar de film zich afspeelt iedereen een andere taal spreekt. En doordat er verschillende geloofs- en waardesystemen door elkaar lopen. Traditie, Islam en moderniteit. Zeg je dan nog wel hetzelfde, als er een tolk aan te pas moet komen, of je moet spreken in een taal die niet je moedertaal is? Bedoel je dan nog wel hetzelfde? Betekent het dan nog wel hetzelfde? En hoe kun je ooit het woord van god of de zin van het leven in woorden vatten als je er al niet over kunt praten? Taalfilosofen breken er al eeuwen hun hoofd over.

In films gaat het niet alleen over taal. Maar ook over hoe de taal wordt uitgesproken. Over performance en interpretatie. Over acteren. Sissako en Hausner kiezen voor een abstracte speelstijl, wat de taal nog kunstmatiger maakt. En waardoor woorden soms zo banaal klinken. Maar ze doen niet zo heel veel anders dan Alain Resnais deed in Providence  (1977) te zien bij wijze van hommage aan de overleden regisseur, die postuum de Carosse d’or van de Quinzaine des Réalisateurs kreeg. De plot is bekend: een schrijver worstelt met het boek wat hij aan het schrijven is, een delirium van herinneringen, wanen  en fantasieën volgt, waaruit blijkt dat de waarneming en de verbeelding van de schrijver vervormd zijn door bitterheid en ressentiment. Of nemen zijn personages een loopje met hem, en worden ze in zijn fictieve wereld als het ware autonoom?

Of erger nog: worden ze door de taal wie ze zijn. Net zoals de hoofdpersoon in Winter Sleep door de taal en de dingen die hij zegt en denkt — uit verveling, lamlendigheid, malaise — misschien wel een stuk vervelender wordt dan hij is. Of Henriette denkt dat de dood haar doel is, doordat de taal van haar dichter veel diepzinniger over de dood dan het leven spreekt? Of in het fictieve Timbuktu waar zelfs de rede moet wijken voor de taal?

Dana Linssen