Rosa von Praunheim (1942-2025)
Kwetsuur als kracht
Rosa von Praunheim in 2018. Foto: Martin Kraft/Wikimedia (CC BY-SA 3.0)
De Duitse filmmaker, schrijver en prominent queeractivist Rosa von Praunheim behoorde tot die zeldzame kunstenaars die niet alleen kunst maken, maar de wereld veranderen. Met zijn dood op 17 december jl. op 83-jarige leeftijd verliezen we niet alleen een filmmaker, maar een morele stoorzender die weigerde zich neer te leggen bij stilte, schaamte en gemakzucht.
Het leven van Rosa von Praunheim begon op een plek die symbool lijkt te staan voor alles wat hij later zou bevechten: een gevangenis. In 1942 werd hij geboren in Riga, tijdens de Duitse bezetting, als Holger Radtke. Von Praunheims vroege jaren werden getekend door oorlog, verlies en ontworteling. Vrijwel direct na de geboorte werd hij bij zijn moeder weggehaald – zij overleed in 1946 in een psychiatrische inrichting – en geadopteerd. Hij groeide op in Berlijn met een nieuwe naam: Holger Mischwitzky. Pas decennia later zou hij ontdekken dat die naam niet de zijne was. Daaruit ontstond een zoektocht naar zijn echte afkomst, wat resulteerde in de documentairefilm Mijn moeders – Op zoek naar sporen in Riga (2007).
Identiteit was voor Mischwitzky nooit vanzelfsprekend; die moest bevochten, opnieuw uitgevonden en publiek gemaakt worden. Hij creëerde een nieuwe naam: Rosa von Praunheim. ‘Rosa’ was gebaseerd op de roze driehoek die homoseksuelen in de nazikampen moesten dragen. Wat bedoeld was als brandmerk, maakte hij tot ereteken: van een traumatische herinnering maakte hij verzet en uit de pijn daarover haalde hij kracht.
Von Praunheim was zich scherp bewust van de geschiedenis die tijdens de Duitse wederopbouw was weggepoetst en van de stemmen die nooit waren gehoord. Later zei hij er spijt van te hebben dat hij geen portretten had gemaakt van homoseksuele overlevenden van de concentratiekampen.
Outsiders
Na zijn vertrek uit Oost-Duitsland volgde hij de kunstacademie in Offenbach en Berlijn. Eind jaren zestig begon hij films te maken die de grenzen tussen documentaire en fictie bewust vervaagden. Zijn cine-essays waren didactisch en polemisch maar tegelijk ook speels.
Met Nicht der Homosexuelle ist pervers, sondern die Situation, in der er lebt (1971) forceerde hij een breuklijn in de Duitse cultuur. De film was confronterend voor de goegemeente maar ook voor delen van de homogemeenschap: Von Praunheim spaarde niemand. Hij hekelde conformisme en het nalopen van heteronormen en riep op tot politieke bewustwording. De film werd een katalysator: protesten, discussies, collectieven en organisaties volgden. Wat later het Duitse Stonewall-moment werd genoemd, begon hier – op het doek, in woede en met een ironische draai.
Von Praunheim was een centrale figuur in de Neue Deutsche Welle. Maar waar tijdgenoten als Fassbinder en Wenders internationaal werden omarmd, bleef hij opereren vanuit de marge, trouw aan een underground-esthetiek die ontstond in het West-Berlijn van de jaren zeventig en tachtig. Zijn films waren kleurrijk, rommelig, vaak boos en soms beledigend, maar nooit leeg. Hij gaf ruimte aan outsiders: sekswerkers, hiv-patiënten, ouderen met verlangens, kunstenaars zonder podium. Hij maakte portretten van mensen die doorgaans alleen als probleem werden gezien.
Zijn betrokkenheid reikte verder dan de cinema. Von Praunheim was medeoprichter van emancipatoire initiatieven als de SchwuZ-club en het adviescentrum Mann-O-Meter. Hij geloofde in plekken waar mensen elkaar konden ontmoeten en steunen. Kunst was voor hem nooit los te zien van de gemeenschap.
Outing
Dat werd pijnlijk duidelijk tijdens de aidscrisis, toen angst en stigmatisering er jarenlang voor zorgden dat de wereld wegkeek van de verwoestende epidemie. Met Ein Virus kennt keine Moral (1985) maakte Von Praunheim een van de eerste speelfilms over aids in Duitsland. Hij eiste solidariteit, vooral van beroemdheden en vond dat hun zichtbaarheid een verantwoordelijkheid met zich meebracht. Die overtuiging leidde in 1991 tot een van de meest controversiële momenten uit zijn carrière, toen hij live op televisie twee bekende mannen outte: talkshowpresentator Alfred Biolek en komiek Hape Kerkeling. Het was een daad die velen in de queer gemeenschap als verraad beschouwden. Von Praunheim noemde het later een schreeuw van wanhoop. De crisis, de doden, het zwijgen – voor hem woog dat zwaarder dan conventionele opvattingen over privacy. De tijd heeft zijn oordeel niet eenduidig ingehaald, maar wel genuanceerd: beide betrokkenen spraken later over de pijn én de bevrijding van het moment. Het typeert Von Praunheim: moreel compromisloos en bereid om de prijs daarvoor te betalen.
Ondanks zijn publieke aanwezigheid was hij privé terughoudend. “Luid in mijn kunst, stil in mijn leven”, zei hij ooit. Hij sprak over angst en twijfel, over het gevoel dat filmmaken altijd gepaard ging met spanning en onzekerheid. Meer dan vijf decennia bleef hij maken – meer dan honderdvijftig films – en lesgeven, schrijven, regisseren. Zijn werk over Magnus Hirschfeld, over Fassbinder, over zijn eigen moeder en over zichzelf vormt een caleidoscopisch archief van queer geschiedenis en persoonlijke obsessies.
Kikker
In zijn latere jaren werd Von Praunheim milder maar niet minder scherp. Hij was minder bezig met activisme, maar was nog altijd zeer betrokken bij kunst. Z’n laatste film, Satanische Sau, vertoond op de Berlinale in 2025, was een speelse overdenking van leven en dood: een droom, een parodie, een experimenteel gedicht. Kort voor zijn overlijden trouwde hij met levenspartner Oliver Sechting. Hun kikkerringen – gekozen vanwege Von Praunheims wens om in een volgend leven als kikker terug te keren – waren typerend: licht, eigenzinnig, ontroerend.
Rosa von Praunheim laat een oeuvre na dat zich niet laat temmen. Zijn films zoeken geen consensus maar vragen juist om stellingname. Ze herinneren ons eraan dat zichtbaarheid geen vanzelfsprekendheid is, dat vrijheid blijvend bevochten moet worden en dat kunst soms moet schuren om waar te zijn. Hij was een sleutelfiguur, maar ook een stoorzender – en zal daarom gemist worden. Zijn films zijn geen afgeronde verhalen, maar open wonden. Misschien is dat zijn grootste verdienste: dat hij ons niet met rust laat.