Thomas Stuber over Liebe in den Gängen

‘Bij nacht is alles anders’

  • Datum 17-11-2018
  • Auteur Joost Broeren-Huitenga
  • Categorieēn Interview
  • Deel dit artikel

Thomas Stuber

Liefde en dood tussen de schappen van een groothandel en extase op een vorkheftruck, daarmee speelt de jonge Duitse regisseur Thomas Stuber in zijn prijswinnende derde speelfilm Liebe in den Gängen. Stuber: ‘Ik ben een behoorlijk melancholisch type.’

De Nederlandse distributeur voegde het woordje ‘Liebe’ toe aan het begin van de titel In den Gängen, maar in feite doet dat de film tekort. De opbloeiende romance tussen de schuchtere Christian (Franz Rogowski) en de getrouwde Marion (Sandra Hüller) vormt weliswaar de rode draad van Thomas Stubers derde bioscoopfilm. Maar tussen de schappen van de Oost-Duitse groothandel waar zij werken, speelt zich veel meer af dan alleen liefde. Zoals de regisseur het zelf omschrijft: “Het gaat over liefde en dood in een groothandel.”

De film opent met Christians eerste werkdag tussen de eindeloze schappen met pallets vol producten, wanneer hij wordt ingewerkt door de norse Bruno (Peter Kurth). “Die groothandel is bijna een personage op zichzelf”, zegt Stuber. “Het is wat alle personages aan elkaar verbindt – niet alleen Christian, Bruno en Marion, maar die hele groep werknemers. De sombere sfeer die ‘s nachts heerst tussen die hoge rijen spullen was heel belangrijk. We hebben er bijna een jaar over gedaan om de juiste locatie te vinden”

Wat maakte het zo lastig? “De groothandel heeft in het verhaal een soort magische sfeer. Echte groothandels hebben dat natuurlijk helemaal niet – ze waren allemaal veel te goed verlicht, veel te kleurrijk, overal werd de ‘corporate identity’ benadrukt. Ik zocht iets dat wat meer verlopen was. Maar uiteindelijk vonden we precies wat we zochten in Oost-Duitsland, vlakbij mijn geboorteplaats – een keten die bijna niemand kent. De acteurs hebben er een tijdje gewerkt en de mensen die we daar ontmoetten, hebben veel invloed gehad op de personages. In allerlei kleine dingen, tot en met de toon waarop mensen elkaar plagen.”

Het feit dat het verhaal in voormalig Oost-Duitsland speelt, wordt niet benadrukt maar speelt wel degelijk een rol. Het viel me op dat waar Duitse recensenten daar consequent veel aandacht aan geven, het in het buitenland nauwelijks wordt opgemerkt. Hoe belangrijk is die context voor uzelf? “In Duitsland focust men daar inderdaad sterk op, misschien iets te veel naar mijn smaak. Ik wil altijd verhalen vertellen die universeel zijn – ik zou geen film willen maken die men alleen in Duitsland snapt. Tegelijkertijd wilde ik dit verhaal ook aarden in deze plek die ik zelf goed ken, zonder dat dit meteen een politiek statement met zich meebrengt. Met deze omgeving, deze personages, dit landschap zijn coscenarist Clemens Meyer en ik intiem bekend. Dat maakt het makkelijker om de waarheid ervan te vinden.”

Meyer schreef het korte verhaal waarop de film is gebaseerd. Hoe bouwden jullie dat uit tot een speelfilm? “Het is een heel ander proces dan het bewerken van een roman, waar je op zoek moet naar de kern ervan en veel weg moet laten. Hier hebben we niets weggelaten, maar was de uitdaging om dat verhaal verder in te vullen zonder die fantastische sfeer die het heeft te vernietigen. Die sfeer leunt er namelijk voor een groot deel juist op dat er niet veel gebeurt. Het hele kerstfeest, een centrale scène in de film, zit bijvoorbeeld niet in het verhaal. Maar als je een sterk verhaal hebt, kun je dat volgens mij vrijwel eindeloos oprekken – we hadden zo door kunnen schrijven naar Pasen! Als je maar weet hoe de personages met elkaar praten.”

Zoals in veel verfilmingen van literaire werken gebeurt, gebruikt u een voice-over – maar wel op een ongebruikelijke manier. Hij is er niet om informatie over te brengen, of om de binnenwereld van de hoofdpersoon verder in te kleuren. “Precies, zo’n klassieke boekverfilmingstekst wilde ik absoluut vermijden. Wij gebruiken het om het gevoel op te roepen dat alles wat je ziet in het verleden gebeurt, dat we niet met Christian in zijn hier-en-nu staan maar een verhaal verteld krijgen dat al gebeurd is, ergens in een ongedefinieerd verleden. Het versterkt dat magische-realistische effect en geeft de hele film een zekere melancholie. Ik ben een behoorlijk melancholisch type, daarom hou ik ook meer van Kerst dan van Pasen.”

Die melancholie wordt ook belichaamt door uw hoofdrolspelers, Franz Rogowski en Sandra Hüller. Wist u vanaf het begin dat u met hen wilde werken? “Met Sandra wel. Zij woont in Leipzig, net als Clemens en ik, en we schreven Marion voor haar. Ze heeft iets speels maar tegelijk een bepaalde melancholie. En haar schoonheid is niet standaard, al is ze volgens mij nooit eerder zo mooi gefilmd als in deze film. Dat is ook met Franz zo: hun gezichten zijn twee uur lang interessant om naar te kijken, terwijl je op andere mensen na een halfuur wel uitgekeken bent. Met Franz was het een ander verhaal. Inmiddels heeft hij met Haneke en zo nog wat grote namen gewerkt, maar toen we hem casten was hij vooral bekend van kleine mumblecore-films, waar meestal geen scenario is en de acteurs veel vrijheid krijgen. Dus ik wist niet zeker of hij zo nauwgezet zou kunnen en willen werken als wij wilden. Er was ruimte voor improvisatie, maar alleen in de repetities – op de set moest elk woord op zijn plek vallen. Bovendien is het een heel zwijgzaam personage.”

En dan moest hij ook nog een heftruck leren besturen. “Haha, hij is daar echt een expert in geworden. Elke vrije minuut die hij had, zat hij op die vorkheftruck.”

De derde belangrijke rol is voor Peter Kurth als Bruno, de oude rot die Christian inwerkt. U werkte al vaker met hem samen. Waarom blijft u bij hem terugkomen? “Bruno is volgens mij, zonder dat het meteen duidelijk is, eigenlijk de hoofdpersoon van de film. Natuurlijk draait het om het liefdesverhaal tussen Christian en Marion, maar hij is de drijvende kracht achter deze twee personages, en waar de film in zijn kern over gaat is direct verbonden aan hem. Peter hij is zo’n beetje het prototype waar Clemens en ik bij het schrijven dit soort personages op baseren: geen grote prater, een karakteristieke kop, maar heel veel warmte in zijn ogen.”

Hij belichaamt ook perfect het arbeidersmilieu waarin de film speelt – het management van de groothandel wordt hier en daar wel genoemd, maar komt nooit in beeld. “En niet alleen de bazen. Hoewel alles in die groothandel draait om dingen kopen, heb ik ook de consumenten weggelaten. Simpelweg omdat ik radicaal voor één perspectief wilde kiezen. Het verhaal gáát niet over de klanten en de bazen, dus die zie je ook niet. De verhalen die Clemens en ik schrijven, draaien altijd om personages aan de rafelranden van het leven dat overdag plaatsvindt. Clemens is absoluut een nachtmens, en ik eigenlijk ook. Overdag is alles felverlicht en speelt het normale, bourgeois leven zich af. ’s Nachts is alles anders. Dan doe je wanhopige pogingen om vast te houden aan de dag die al weg is. Je wil nog niet gaan slapen, dus je gaat naar een bar en drinkt en rookt.”