Sandra den Hamer over haar vertrek bij Eye

'Eye is geworden wat ik wilde dat het zou zijn'

Sandra den Hamer. Foto: Harmen de Jong

Vorige week kondigde Sandra den Hamer aan komend najaar te stoppen als directeur van Eye Filmmuseum. In gesprek met De Filmkrant keek zij terug op vijftien jaar filmmuseum: de verhuizing, de fusies, hoogte- en dieptepunten, en het verschil tussen een museumzaal en een filmzaal.

Toen Sandra den Hamer na de coronalockdowns voor het eerst weer naar Cannes ging, belandde ze na afloop van een voorstelling met andere filmprofessionals aan een tafeltje. Het gesprek kwam op het hoeveelste bezoek aan Cannes dit voor iedereen was. Er was een debutant, iemand die z’n tweede editie meemaakte en een veteraan die al op zeven zat. Toen het Den Hamers beurt was, moest ze hard nadenken en tellen. 36, was het antwoord.

De afzwaaiend directeur van Eye beweegt haar hele leven al in de filmwereld. Tijdens haar studie Film- en Theaterwetenschappen meldde zij zich in 1981 bij de Nederlandse Filmdagen, de voorloper van het Nederlands Film Festival, en begeleidde als vrijwilliger de buitenlandse gasten. Het jaar daarna stond ze in een marktstand als coördinator filmmarkt en vroeg een passerende Hubert Bals, de toenmalige directeur van het International Film Festival Rotterdam, of ze dat niet ook bij hem wilde doen. Zo kwam ze in Rotterdam terecht, waar ze in 1992 adjunct-directeur werd en vier jaar later directeur. In 2007 verhuisde ze naar het filmmuseum in Amsterdam.

Waarom gaat u eigenlijk weg? En waarom nu? “De cirkel is rond, zo voelt het. Vorig jaar hebben we de 75e verjaardag van Eye gevierd, dit jaar zit het museum tien jaar aan het IJ en in september ben ik hier vijftien jaar in dienst. Eye is geworden wat ik wilde dat het zou zijn.”

En wat is dat? “Het is echt een museum geworden dat met beide benen in de wereld van nu staat. Toen ik als directeur begon, zat het filmmuseum nog in het Vondelpark: een bescheiden instituut met een fantastische collectie maar een zeer beperkte publieksfunctie. We hebben eens een enquête laten doen in Amsterdam en 89% van de ondervraagden wist niet eens dat de stad überhaupt een filmmuseum had. Daarmee wil ik niets afdoen aan mijn voorgangers: zonder hun werk waren wij er niet geweest. Paul Kijzer begon in 1946 met het aanleggen van een verzameling. Jan de Vaal zorgde voor uitbreiding. Onder Hoos Blotkamp werd een begin gemaakt met het ontsluiten van de collectie. En mijn directe voorganger Rien Hagen bereidde de verhuizing voor.
“Die verhuizing, in 2012, was meer dan dat. De organisatie vond zichzelf opnieuw uit. De organisatie is enorm geprofessionaliseerd. We werken nu met de beste tentoonstellingsmakers en een landelijk educatienetwerk, doen de internationale promotie van Nederlandse films. En we bereiken meer en andere mensen. In het Vondelpark zaten we op 50 duizend bezoekers per jaar, nu komen er jaarlijks 700 duizend mensen in het gebouw, waarvan de helft voor een film of tentoonstelling. Als ik in de stad loop, hoor ik mensen soms zeggen: we gaan naar Eye. Met de naamsbekendheid zit het nu wel goed.”

Waarom is die museale functie zo belangrijk? “Een museumzaal werkt anders dan een filmzaal. Onze tentoonstelling over Béla Tarr is door 35 duizend mensen bezocht. Als we een retrospectief van zijn werk hadden georganiseerd waren waarschijnlijk vooral de fans en professionals gekomen en hadden we rond de duizend bezoekers gehad. Door het werk op een andere manier te presenteren, in een andere context, geef je het opnieuw waarde en betekenis. En daarmee bereik je een ander publiek.”

U had een lang festivalverleden voordat u aantrad als museumdirecteur. Hielp dat? “Toen ik voor de functie gevraagd werd, lieten ze me de bouwtekeningen van het nieuwe gebouw zien en zeiden ze: wij willen dat je hier leven inblaast. Er waren mensen die vonden dat je een museum niet als een festival moet willen programmeren. Maar stiekem heb ik dat wel gedaan. We hadden ook kunnen kiezen voor een vaste opstelling over de geschiedenis van de film. Die hebben we, in het klein, maar daarnaast hebben we veel grotere tijdelijke tentoonstellingen die relevant zijn voor de makers van nu. Daar kwam bij dat filmmakers vanaf de jaren negentig steeds meer installaties zijn gaan maken, zich niet meer beperken tot een scherm in een donkere zaal, en dat beeldend kunstenaars juist film gingen maken. Dat kruispunt tussen die twee disciplines, daar was nog geen museum voor.”

Is die vermenging van disciplines meteen ook de belangrijkste ontwikkeling die de film volgens u heeft doorgemaakt de afgelopen decennia? “Film heeft altijd tegen andere kunstdisciplines aan geschurkt. Dat is niet echt nieuw. De digitalisering heeft een veel groter effect gehad. Film is democratischer en toegankelijker geworden, zowel voor makers als kijkers. Daarnaast is er vanaf de jaren tachtig een sterke internationalisering opgetreden. Wij begonnen in Rotterdam een coproductiemarkt toen er in veel landen nog zuiver nationaal werd geproduceerd, maar de nieuwe generatie producenten doet bijna niets anders dan grensoverschrijdend werken. En als laatste heb je natuurlijk nog de globalisering. Ik herinner me nog dat Huub Bals als een soort ontdekkingsreiziger naar China ging om daar een filmkopie op te halen. Er zijn mooie beelden van hem bij de douane waar hij zo’n blik uit zijn tas haalt omdat het niet door de röntgenscanner mag.”

Het nieuwe gebouw van Eye opende in 2012. Hoe moeilijk was het realiseren van zo’n groot project middenin de kredietcrisis? “In de vijf jaar dat we onder mijn leiding in het Vondelpark zaten, moesten we vechten tegen veel vooroordelen. Het zou toch niet gaan lukken; het nieuwe pand zou te groot zijn; niemand zou erheen gaan. De Raad voor Cultuur stelde toen ook nog een advies op waarin ze voorstelde voor maar twee jaar subsidie te geven en daarna te monitoren. De volgende dag stond op de voorpagina van Het Parool: ‘Eye nog niet open en nu al onder curatele’. Al het vertrouwen dat we zorgvuldig met allerlei stakeholders hadden opgebouwd, was in één klap verdwenen. Het was zeker een van de dieptepunten van mijn directeurstijd. Maar ik ben altijd blijven geloven in de potentie van het gebouw, ook toen de bouwkosten 30% hoger uitkwamen dan in eerste instantie verwacht. Uiteindelijk heeft het hele project €36 miljoen gekost en dat is niet veel als je het vergelijkt met veel andere museumnieuwbouw.”

Onder uw leiding is Eye ook gefuseerd met Holland Film, De Filmbank en het Instituut Filmeducatie. Waarom? “Al vanaf de jaren tachtig werd gepraat over een sectorinstituut, zodat er geen overlap zou zijn en de gaten beter opgevuld zouden worden. Ik zat eens bij zo’n beleidsdiscussie en zei een beetje dwars: waarom eigenlijk? Laat duizend bloemen bloeien. Ik heb me dan ook flink achter de oren gekrabd toen mij werd gevraagd toch zo’n instituut op te zetten. Maar het werd als voorwaarde voor het nieuwe museum gesteld en toen we de discussie met de andere organisaties op inhoud aangingen, kreeg het proces vleugels. Onze activiteiten bleken al grotendeels vervlochten en ze versterken elkaar nu alleen nog maar meer.
“Daarnaast zijn we vrij snel na mijn aantreden weer begonnen met het publiceren van boeken. En met de UvA hebben we de leerstoel Filmerfgoed en digitale filmcultuur opgezet, die nog steeds bezet wordt door Giovanna Fossati, waardoor onze academische activiteiten een enorme vlucht hebben genomen. Ido [Abram, adjunct-directeur Eye] zegt wel eens: Eye is een veelkoppig monster, maar wel een leuk monster.”

Is het ook een monster dat internationaal navolging vindt? “We hebben delegaties over de vloer gehad van overal waar ze bezig zijn met een nieuw filmmuseum, van Hongkong en Berlijn tot Göteborg en de Emiraten. Heel even hebben we gespeeld met het idee een soort keten te beginnen. Vooral de architecten van ons nieuwe gebouw waren daar enthousiast over. Maar een filmmuseum moet aansluiten bij de context van een land en de filmindustrie en -cultuur ter plekke. Wel is laatst de cultuurminister van Albanië langs geweest die alle plannen heeft opgevraagd ter inspiratie voor een nieuw instituut in Tirana.”

Wat beschouwt u als hoogtepunt van uw vijftien jaar bij Eye? “Dat is lastig kiezen. De exposities van Bela Tarr, Ivo van Hove en Péter Forgács horen absoluut bij de hoogtepunten. Maar Vive le Cinema!, waarvoor we vijf filmmakers uit de internationale filmscene nieuw werk produceerden ter ere van 75 jaar Eye, was het allermooiste.”

Wat gaat u doen na uw vertrek? “Ik ga het zeker niet rustig aan doen, maar wel meer buitenspelen, nieuwe dingen doen. Ik wil meer betrokken zijn op de inhoud en heb zin om uit te zoeken welke vorm dat moet krijgen. Scripts lezen en adviseren misschien. Mentor voor jonge curatoren bij de opleiding Programmeur van de toekomst, die volgend jaar begint, lijkt me ook leuk. Ik ben in het recente verleden benaderd voor zware banen maar ik wil vrijheid. Misschien kan ik mezelf, net als Eye heeft gedaan, opnieuw uitvinden. En ik zou graag een maand naar New York gaan en elke dag een ander museum bezoeken. In de coronaperiode zijn toch een beetje de luiken dichtgegaan en hebben we ons maandenlang geconcentreerd op volhouden. Nu kunnen we dat loslaten.”

Heeft u een boodschap of advies voor uw opvolger? “Ik was de bouwer van het museum. Maar het instituut zit nu in een andere fase. Mijn opvolger moet de verbinding zoeken met een nieuwe generatie bezoekers, ook mensen voor wie museumbezoek niet vanzelfsprekend is. Dat is een enorme opdracht, die geldt voor alle culturele instellingen. Ik vind het wel heel belangrijk dat hij wordt uitgevoerd door iemand met een inhoudelijk-artistieke achtergrond, die vraagt: wat en wie willen we bereiken? En waarom?”