J.C. Chandor over Margin Call
'De crisis was een treinramp'
J.C. Chandor (midden) op de set
"De mens is van nature egoïstisch en hebzuchtig", zegt J.C. Chandor in zijn kredietcrisisfilm Margin Call. Een financiële thriller die het laatste etmaal voor de crash van 2008 aftelt.
Wat nou als die bankiers het geweten hadden? Hadden ze het dan kunnen doen? Of willen doen? De crisis voorkomen? Of keren? Drie jaar na de financiële meltdown van 2008 en middenin de demonstraties van de wereldwijd groeiende ‘Occupy’-beweging zijn die vragen actueler dan ooit. J.C. Chandor stelde ze in zijn regiedebuut Margin Call. We spraken de regisseur tijdens het Filmfestival Berlijn, waar zijn anti-Wall Street: Money Never Sleeps deze winter zijn Europese première beleefde.
Van een verhaal over cijfers heeft u een film over woorden gemaakt. Hoe ging dat in z’n werk? Het was de taal die ik van nabij heb leren kennen. Mijn vader heeft 35 jaar als bankier bij Merrill Lynch gewerkt. En er is iets aan de manier waarop bankiers met elkaar praten. Dat is nog extremer dan de taal van diplomaten. Niemand wil eigenlijk iets zeggen. Dus op een vreemde manier krijgen woorden daardoor macht over cijfers. Cijfers lijken misschien objectief, maar zoals we in de film zien, hangt alles van de interpretatie af. En je zou ook kunnen zeggen dat de crisis is begonnen omdat mensen misschien te lang níet hebben gepraat over de betekenis van cijfers.
Er worden zelfs opmerkelijk weinig cijfers gebruikt in de film. Ik wilde niet een soort ziekenhuisfilm maken waarin voortdurend met medische termen werd gegooid. Mijn idee was dat cijfers alleen maar zouden afleiden. Dat mensen die met cijfers werken erdoor afgeleid zouden worden, omdat ze in het hoofd zaten mee te rekenen, en dat anderen erdoor zouden worden geïntimideerd. Maar gaandeweg ontdekte ik iets veel fundamentelers: die stapels papier met tabellen en berekeningen erop die mensen maar doorschuiven staan ook voor de manier waarop de bankiers hun verantwoordelijkheid kunnen afschuiven. Ze praten er omheen. Ze praten over iets anders, en wekken de indruk dat iedereen wel weet waar ze het over hebben. Maar waar hebben ze het eigenlijk over? Pas op het moment dat ze er in begrijpelijke taal iets over moeten gaan zeggen, over moeten gaan communiceren, dan zullen ze zich er ook verantwoordelijk voor moeten stellen.
Maar dat willen ze niet? Dat willen ze niet. Of dat kunnen ze niet. Ik wil naar niemand wijzen met deze film. Het ging mij meer om het proces.
Dat is misschien ook wel een beetje makkelijk? Ik zou werkelijk niet weten waar ik zou moeten beginnen met het aanwijzen van schuldigen. Ik heb vijftien jaar in de filmindustrie gewerkt, commercials gemaakt, videoclips. Ik zou net met een documentaire beginnen toen een investeerder zich terugtrok. Toen heb ik met een groep vrienden een pand in Tribeca gekocht, met veel geleend geld, met het doel om het op te knappen en door te verkopen. Onroerend goed deed toen nog wat in New York. Tot de peetvader van een van de partners, ook een bankier, zich er actief mee begon te bemoeien en ons min of meer dwong het pand te verkopen. We hielden er zelfs nog wat geld aan over, wat onder andere in deze film is gaan zitten. Later bleek dat een van de investeerders op het punt van omvallen stond. Dat heeft me aan het denken gezet. Wat nou als je een hoop voorkennis hebt van de markt? Wat doe je daar dan mee? Wanneer begin je te praten? Het moment kan ook niet goed zijn. Zo zijn er in 2005 ook mensen ontslagen omdat ze te wéinig risico namen.
Weten die bankiers eigenlijk wel waar ze het over hebben? Sam, gespeeld door Kevin Spacey en een van de bazen en het morele scharnierpunt van de film, zegt zelfs als hij een berekening onder ogen krijgt: ‘I can’t read these things.’ Bankiers van de oudere generatie waren misschien uitstekende managers, of hadden een groot psychologisch inzicht. Die waren heus wel in staat om bewegingen van de markt te lezen. Maar de bankwereld is gemathematiseerd. Ze hebben de slimste jongens en meisjes van de beste universiteiten gehaald om die steeds abstractere rekenmodellen te ontwikkelen waarmee ze nog meer fictief geld kunnen verdienen. Het gaat niet meer over het geld dat jij en ik in onze portemonnee hebben zitten. Jeremy Irons, die de opperbaas speelt, is in principe ingehuurd om de naïeve clown te spelen. Kijk maar naar de manier waarop George W. Bush het land heeft geleid. Als je net doet of je de dingen niet begrijpt, kunnen mensen je ook geen moeilijke vragen stellen. Dat is behoorlijk geslepen.
Heeft u het effect dat dit alles op gewone mensen heeft bewust uit de film weggelaten? Beslist. Want deze personages denken niet na. Ze denken niet na over de gevolgen van hun handelen. Ze denken in eerste instantie aan zichzelf. Maar om eerlijk te zijn, dat zou ik ook doen. Ik zou ook eerst aan mijn familie en mijn huis en mijn hypotheek denken. Dat doen de meeste mensen. Wat hadden ze anders kunnen doen?
Nou, wat hadden ze anders kunnen doen? Dat had jaren eerder moeten gebeuren. De crisis was een treinramp. De remmen deden het niet meer en de trein stormde een helling af. Dat was niet te stoppen. Had dat door een individu voorkomen kunnen worden? Nee. Het Amerikaanse belastingsysteem en de Amerikaanse welvaart zijn gebaseerd op eigen-huizen-bezit. Mensen stoppen hun spaargeld en hun pensioenen in hun eigen huis. Door de hypotheken te verkwanselen, hebben de bankiers daar de fundamenten onderuit gehaald. Ze hebben gegokt met de levens van deze mensen, met de studies van hun kinderen, met hun tegoeden voor hun oude dag. Maar we doen het allemaal. We denken allemaal dat we ergens recht op hebben. We staan allemaal rood op onze creditcard omdat we denken dat we dat op een dag wel terug kunnen betalen. Dat is hoe onze maatschappij werkt. Deze mannen zijn alleen maar de top van de ijsberg. Je kunt ze geen morele bijziendheid verwijten, want de mens is van nature egoïstisch en hebzuchtig.
Dana Linssen