IFFR 2026: Tiger-competitie
Tussen knotsgek en conventioneel
Unerasable!
Terwijl de jury haar oordeel over de Tiger-competitie van de 55e IFFR-editie bekendmaakt, blikt Filmkrant terug op een selectie die de belofte van avontuur en innovatie niet over de volle breedte inloste.
Bij het volgen van de Tiger-competitie van IFFR kun je van de ene verrassing in de andere vallen. Onverwachte ontdekkingen en onvoorstelbare missers staan vaak gebroederlijk naast elkaar. Wat bij de grote filmfestivals in onafhankelijke, parallelle secties is ondergebracht (zie bijvoorbeeld de Critic’s Weeks in zowel Venetië en Cannes), is hier de hoofdmaaltijd: een selectie van debuten en tweede films van nog grotendeels onbekende makers.
Daar valt veel voor te zeggen: het biedt een festival dat qua prestige niet kan concurreren met de grotere broers en zussen de mogelijkheid de competitie te vullen met wereldpremières die nog de belofte in zich dragen dat ze ooit zullen worden herinnerd als de vroege meesterwerken van regisseurs die daarna een gevierd oeuvre opbouwden. In dat opzicht leverden de eerste jaren van de in 1995 gelanceerde competitie de meeste vruchten af, met namen als Hong Sang-soo, Kelly Reichardt en Christopher Nolan.
Maar dat zijn wel de uitzonderingen. Want de concurrentie van meer prestigieuze festivals laat zich in toenemende mate ook gelden op het terrein van opkomend talent. Het was dan ook een zeldzame opsteker dat de Tiger Award-winnaar van de editie-2025 Fiume o morte! onlangs ook bij de European Film Awards in de prijzen viel, in een rij winnaars die verder werd gedomineerd door titels uit de hoofdcompetitie van Cannes.
Omdat zulke bredere successen steeds dunner gezaaid zijn besloot de toenmalige artistiek directeur Bero Beyer tien jaar geleden om de competitie bijna te halveren van vijftien naar acht titels, maar dat werd vijf jaar later onder de artistieke directie van Vanja Kaludjercic weer teruggebracht naar veertien. Al bleek bij de bekendmaking van de selectie voor deze editie dat de selectiecommissie zich dit jaar tot twaalf titels had beperkt. Tussen die twaalf is het verschil in kwaliteit alsnog zo groot dat je je kunt afvragen of een kleinere selectie niet toch beter was geweest.

Als we aan (overigens niet onbelangrijke) overwegingen van geografische spreiding niet te zwaar zouden tillen, dan had de competitie het prima kunnen stellen zonder de enige Latijns-Amerikaanse inzending, het van stereotype verhaalelementen aan elkaar gebakken Yellow Cake. De Braziliaanse film is een bizarre dystopie rond een Amerikaans wetenschappelijk experiment om in het noorden van Brazilië met radioactiviteit de dengue-mug te bestrijden. De vraag of de pulp-esthetiek en de schaamteloze product placements voor grote Amerikaanse consumentenmerken al dan niet ironisch moeten worden opgevat als kritisch commentaar op Amerikaans imperialisme lijkt het overpeinzen nauwelijks waard ten aanzien van een film die zich nogal duidelijk verslikt in een overdaad aan halfdoordachte ideeën.
Het warrige Nangong Cheng lijdt aan hetzelfde euvel: het weet je nooit mee te nemen in zijn bizarre premisse. En dan is de ruim drie uur die de film duurt een lange zit. Hij dankt die excessieve duur aan lang uitgesponnen scènes met oeverloze dialogen waarin het idee van een dodelijke martial-arts-meets-acupressure-techniek keer op keer wordt uitgelegd zonder aan geloofwaardigheid te winnen. Onverdraaglijk is dat regisseur Shao Pan de film na drie uur alsnog met een ongeïnspireerde, voorspelbare finale uitblaast, terwijl al die tijd op de achtergrond de vraag blijft knagen wat te denken van het gegeven dat een Chinese vechtmeester en heler orde op zaken komt stellen in een ongedefinieerd buitengebied dat ‘Zuidoost-Azië’ heet – alsof er buiten China geen naties bestaan.

Wanneer je met een bizar gegeven aan de haal gaat, kun je maar beter all the way gaan, zoals Dan Geesin doet in zijn tweede speelfilm Een mislukt eerbetoon aan moederliefde. In een archetypisch Hollandse verhaalwereld, waarin de natuurlijk conceptie van kinderen een zeldzaamheid is geworden en een heksenketelachtig kookproces voorziet in de behoefte aan biologisch nageslacht, loert immer het gevaar van spontane zelfexplosie wanneer sociale fricties de emoties tot een kookpunt brengen. De gore ligt letterlijk voor het oprapen. Al wordt die op de droogst denkbare wijze gebracht, waardoor het nooit te melig wordt. De absurditeit is hier duidelijk geen doel op zich maar een creatieve vorm voor een vertelling over mentale druk, de opofferingen van het ouderschap en de last die daarmee op de schouders van kinderen wordt geladen.
Aan de andere kant van het spectrum zitten de films die zo keurig binnen de lijntjes kleuren dat ze het beloofde ‘innovatieve en avontuurlijke karakter’ van de competitie niet waarmaken. Dat geldt bijvoorbeeld voor A Fading Man, een romantisch drama waarin alzheimer in combinatie met een beddentekort in de zorg een scenario in gang zet waarin polyamorie aan de horizon gloort. Maar moeten we echt geloven dat dementie er zo rooskleurig uit kan zien? Al snel begin je de lessen van de scriptontwikkelingsworkshop te ontwaren: emotioneel keerpunt hier, gelaagd motief daar. De voorstelling wordt een potje bullshit bingo met arthouse-clichés.
Zoals A Fading Man een schoolvoorbeeld is van de gemeenplaatsen van Noord-Europese arthouse, zo geldt dat in zekere zin ook voor het Georgische Supporting Role en het Bangladeshi Roid. Twee beeldschoon uitgevoerde films, die helaas allebei iets té precies laten zien wat je van een film uit hun respectievelijke regio’s (Kaukasus en Zuid-Azië) verwacht. Regisseur Ana Urushadze stelt in Supporting Role een narcistische man centraal om onder meer, zo lijkt het, de centrale positie van narcistische mannen in de (Georgische) samenleving ter discussie te stellen; een lastige benadering. Het is een atmosferische film waarin een filmster op zijn retour, in een tussen herinnering, droom en actuele realiteit zwevende trip door Tbilisi, geconfronteerd wordt met zijn tanende roem en een beslissing uit zijn verleden. De film sluit in vertelling en vorm nauw aan bij bestaande conventies, wat je ook kunt zeggen van de Bengalese film Roid. Gevoelens van wanhoop en liefde wisselen elkaar af in het leven van een man die in een feodale plattelandsgemeenschap gehuwd wordt aan een mentaal wankele jonge vrouw, die hem in toenemende mate ruïneert.

Conventioneel van vorm is ook het Amerikaanse The Gymnast, over de relatie tussen een veelbelovende tienergymnast en haar alleenstaande vader. Gruizig realisme en emotionele subtiliteit zorgen ervoor dat deze op het oog onopvallende film toch een indruk nalaat. Want: een gedurfde vorm is ook geen kwaliteit op zich. In dat opzicht stelt het Angolese My Semba nogal teleur. Een spoken word-symfonie is een innovatief concept, maar de film weet door een zwak narratief de aandacht niet over de volle anderhalf uur vast te houden – ook de wat al te gelikte stijl wekt de associatie met een te lang uitgerekte videoclip.
Het geheel in zwart-wit gefilmde O profeta van de Mozambiquaanse regisseur Ique Langa bevat een paar visueel interessante abstracte sequenties, maar houdt in de rest van de film het tempo zo kunstmatig laag dat het op de zenuwen gaat werken. Dat het hoofdpersonage, een priester die aan zichzelf en zijn God twijfelt, gespeeld wordt door een (non-professionele) acteur die elk charisma ontbeert maakt het bovendien moeilijk om nieuwsgierig te blijven naar zijn lotgevallen. Maar al zijn My Semba en O profeta niet geslaagd, avontuurlijk zijn ze allebei, op hun eigen manier.
Afkomstig van hetzelfde continent is mijn favoriet uit de competitie. Variations on a Theme van Jason Jacobs en Devon Delmar is een intrigerend fictie-essay rond een arme gemeenschap van gemengde Zuid-Afrikanen in de streek rond Kaapstad en de mechanismen die hun armoede in stand houden. Het gespreksonderwerp van de dag is een compensatieplan voor de nabestaanden van gekleurde mannen die in de Tweede Wereldoorlog aan het front vochten. Maar naarmate de betaling langer op zich laat wachten en steeds nieuwe formulieren met bijhorende administratiekosten vereist zijn, krijgt het plan steeds meer de trekken van een piramidespel. Intussen verdwijnt buurman Trompie steeds dieper in een gat dat hij in de vloer van zijn huis uithouwt op zoek naar de diamanten waarover hij heeft gedroomd. Ouma Hettie blijft stoicijns haar geiten hoeden, haar enige zekerheid; en de enige die gelukkiger lijkt te worden van zijn dromen is Ari – wijselijk droomt hij alleen over het verleden, niet over de toekomst. Het Afrikaans, waarin (vooral voor een Nederlands publiek) de echo klinkt van de Hollandse republiek in de hoogtijdagen van koloniale expansiedrift, voegt een extra laag toe aan een film die geraffineerd illustreert hoe imperialisme zelf werkt als een piramidespel. Het beeld van Ouma Hettie met haar bijna-oud-Zeeuwse kapje roept, bedoeld of niet, de gedachte op dat zij de directe erfgenaam is van geëxporteerde economische onderdrukking.

Sterk zijn ook de twee documentaires in de competitie. De Zweeds-Noorse productie La belle année is een egodocumentaire waarin regisseur Angelica Ruffier met ontwapenende oprechtheid en aanstekelijke filmliefde een doorslaggevende periode uit haar adolescentie onderzoekt, en waarin ze met creatieve verbeelding die periode oproept. Door de meanderende opbouw neemt Ruffier je telkens weer mee naar een nieuw aspect van haar persoonlijk leven: van een duik in haar familiegeschiedenis naar een obsessieve verliefdheid en vandaar naar de vorming van een identiteit.
Dat meanderende heeft ook Unerasable!, die in deze competitie inhoudelijk zonder twijfel de meeste indruk maakte. De filmmaker, die zelf onder pseudoniem opereert, vertelt het relaas van de gevluchte filmmaker C.P. (eveneens een pseudoniem): een verhaal dat de omvang en ernst van de staatscensuur en -onderdrukking van pro-democratisch activisme in Vietnam scherp in beeld brengt. Door de rijkdom aan beelden die hij gebruikt (clips uit nieuwsarchieven, fragmenten uit klassieke films en zelf geschoten beeldmateriaal) en de wijze waarop hij ze manipuleert creëert hij een film die ook in zijn vorm een meeslepende ervaring biedt en met recht een onuitwisbare impressie nalaat.