Berlinale 2026: Generation 14plus
Lome landerigheid en vurige levenslust
A Family
Verreweg de meeste jongerenfilms hebben een toegankelijke drie-aktenstructuur en dialogen die alles keurig uitleggen. Het filmisch equivalent van kip met friet en appelmoes. Maar hoe leer je cinema waarderen als je nooit iets immersiefs, zwart-komisch of ronduit krankzinnigs ziet? De Berlinale viert andersoortige jeugdfilms.
Ilay beweegt zich dagen- en nachtenlang door de stadsranden van Berlijn. Soms treft de zestienjarige ergens vrienden of collega’s, maar veel wordt er niet gezegd in het Duitse The Lights, They Fall (Saša Vajda).
De camera volgt de tiener in een bijna gedragen tempo. Een enkele keer wordt er onder Ilay’s vriendengroep een zin of wat gezegd over een meisje dat ze leuk vinden. Een enkeling vraagt Ilay hoe het gaat, zonder daarop een antwoord te verwachten.
Het is niet gek dat Ilay uitstraalt dat hij de last van de wereld op zijn schouders torst: dat is namelijk ook zo. Terwijl hij nachten doorhaalt – dwalend, wachtend – ligt zijn moeder op sterven. Zij wordt bijgestaan door een palliatief verpleegkundige die ook al amper spreekt.
De hele film lang zien we Ilay ziek van verdriet zijn, op een bokkig soort tienermanier, en invoelbaar vol van angst voor wat komen gaat. Je ziet het alleen al aan zijn gespannen gezicht en zijn afgeschermde lichaamshouding. En aan de enkele keer dat hij gefrustreerd van zich afbijt. Het blijkt dat je als kijker niet per se alles hoeft te weten over een personage om zijn verhaal toch te kunnen begrijpen.

The Lights, They Fall is een van de achttien lange films die samen met drieëntwintig korte zijn geprogrammeerd in de Berlinale-competities Generation Kplus (voor kinderfilms) en Generation 14plus (voor jeugdfilms), een selectie vol titels die niet door de knieën gaan voor jongere kijkers. Waar films gericht op kinderen en jongeren maar al te vaak commerciële formules volgen, vol gebaande paden en heldere verhaalconstructies, zijn hier minder conventionele benaderingen te vinden. Bevlogen auteursfilms die de kijker niet aan de hand nemen met voice-overs en uitleggerige dialogen, maar vaak vooral een gevoel overbrengen. Een vibe, zo u wilt.
Dat vraagt misschien wat van de aandachtsspanne van wie hapsnap TikTok-beeldtaal, gelikte Disney-films en commerciële young adult-producties gewend is. Maar is dat niet hoe je als jongere (en oudere) je wereldbeeld en begrip van wat film óók kan kan zijn, werkelijk vergroot?
In het Nederlandse echtscheidingsdrama A Family wordt weliswaar meer gesproken dan in The Lights, They Fall, maar ook hier spatten pijn, verdriet en onzekerheid van het scherm. Vanuit het perspectief van twee kinderen, eerst tiener Nina en daarna haar jongere broer Eli, schetst regisseur Mees Peijnenburg hoe de wereld van een gezin instort na een echtscheiding. Er wordt niet uitgelegd waarom hun ouders uit elkaar gaan, maar het gebeurt. En de kinderen hebben daarmee te dealen. Hoe complex dat is en hoe volwassen deze kinderen opeens moeten zijn, wordt in enkele sleutelscènes pijnlijk helder.
Het zit ’m bijvoorbeeld in de blik van Nina als haar ruziënde ouders allebei apart naar haar dansvoorstelling komen en zij hen vanaf het podium bekijkt. Met de camera dicht op haar huid oogt ze als een strakgespannen veer die trots is op haar voorstelling, maar tegelijkertijd in een hoekje wil kruipen om dit fucking awkward moment voorbij te laten zijn. Zeker als vader en moeder, half of helemaal buiten het kader, allebei naar voren schieten om zich als contact aan te bieden voor Nina’s dansschool; de ‘belangrijkste ouder’. De camera is op Nina’s gezicht gericht op een moment waarop haar ouders niet de betrouwbare volwassen blijken die ze dacht te hebben.
Nog zo’n invoelbaar moment: Nina en Eli staan in de metro, op de terugweg van een gesprek bij een kinderrechter. Daar moesten ze een onmogelijk gesprek voeren over waar ze willen wonen. Lees: bij wie hun loyaliteit ligt. In die metro zwijgen broer en zus en ze staan net te ver uit elkaar. Het is een letterlijke en figuurlijke afstand die ze, verdrietig genoeg, op dat moment niet kunnen overbruggen. Juist door de twee kinderen te volgen in elk een eigen hoofdstuk, vanuit hun eigen perspectief, toont Peijnenburg zonder al te veel achtergrond of tekst hoe eenzaam en alléén een kind zich kan voelen.

In de Mexicaans/Spaans/Franse coproductie Chicas tristes (Fernanda Tovar) zijn vriendinnen Paula en La Maestra juist heel erg samen. Vergroeid met elkaar hangen ze in hun kamers, in het zwembad of buiten op straat. Smoezend, giechelend en een intieme taal sprekend die alleen zij verstaan. Hun vibe, een combinatie van lome landerigheid en vurige levenslust, klopt helemaal bij hun leeftijd.
Nadat een gebeurtenis op een feestje de meiden uit het lood slaat, is hun wereld in zekere zin voorgoed veranderd. Maar hoe praat je over het onmogelijke? Het is een teken des tijds dat een van hen haar vragen en twijfels aanvankelijk niet bij een volwassene uit, maar AI om raad vraagt.
Echt openhartig durven ze pas te zijn op het moment dat ze iets heel anders aan het doen zijn – zoals dat nu eenmaal gaat in het echte leven. Juist als ze dansles hebben en ze eigenlijk naar instructies moeten luisteren, vindt een van hen de moed om schoorvoetend die olifant in de kamer te bespreken.
Sunny Dancer (George Jaques) is weliswaar iets conventioneler dan voornoemde titels, maar zit bomvol volwassen humor en witty grappen op, of net over, het randje. In dit Britse komische drama bezoekt de altijd boze Ivy een ‘kankerkampeerkamp’ voor jongeren bij wie hun ziekte in remissie is.
De tieners zien voor het eerst weer een toekomst voor zich liggen. Hoe ga je om met het nieuwe idee dat je misschien niet jong zal sterven? En hoe leef je met dat Zwaard van Damocles van een ziekte die zomaar kan terugkeren? Die toch al complexe emoties vallen samen met hormonen die door puberlijven gieren. Deze kids, en met name de extreem nukkige Ivy, hebben altijd hun woordje klaar en dissen keiharde grappen op die de gemiddelde mens zouden wegblazen. Diepzwart, soms belachelijk ongepast en daarom bijzonder grappig.

Het alternatieve superheldenverhaal Matapanki (Diego Fuentes) tapt uit een vaatje waarvan niemand wist dat het überhaupt bestond. Het Chileense, activistische punkverhaal in gruizig zwart-wit is volstrekt origineel en nauwelijks in een genrevakje te plaatsen. Het zwart-komische scenario wordt gevangen in een uitzinnige visuele stijl, met knullige vuistgevechten, graffiti-achtige animaties, verrukkelijke houtje-touwtje-effecten, punksongs en warped sound design.
In deze alternatieve scifi-komedie krijgt punker Ricardo na het drinken van een zeker alcoholhoudend drankje opeens superkrachten. Dat blijkt het startsein voor een doldwaze strijd tegen een volstrekt idiote Amerikaanse president die op de wereldmacht aast en die wordt bijgestaan door mysterieuze kerels in pak.
Ricardo zelf wordt geholpen door een hechte vriendenclub en zijn geweldige oma, die zelf ook wel een drankje of een jointje blieft. Er wordt tussen de regels van alles gezegd over hoe (in dit geval) Chileense jongeren aankijken tegen de dreigende wereld waarin ze leven. Voor hen is glashelder dat als ze daar iets aan veranderd willen zien, ze dat zelf moeten doen – superkrachten of niet.