Berlinale 2021, blog 5

Wat moet er op het grote scherm?

Natural Light

De Berlinale thuis op een klein scherm kijken is doen alsof. Toch hoort niet elke film per se thuis op het witte doek. Welke cinema doet echt verlangen naar de bioscoop? Denk stilte, walvis en revolutie.

Het is moeilijk te doen alsof je op de Berlinale bent, merkte een collega op, wanneer je thuis op de bank zit en het Netflix-logo verschijnt. Streaming heeft natuurlijk tijdens de coronacrisis een klap uitgedeeld aan de bioscoopwereld, waarbij ook het ene na het andere festival noodgedwongen online ging. Maar zal dat ook veranderen wat we in de toekomst in de bioscopen zullen zien? Blijft het streaming-scherm straks het hoofdpodium, met de bioscoop slechts als promotieplek?

Een tussengeval is de Mexicaanse Netflix-titel A Cop Movie van Alonso Ruizpalacios (in hoofdcompetitie winnaar van de Prijs voor Bijzondere Artistieke Bijdrage voor de montage). Het is een widescreen-film met dramatische nachtelijke scènes die het vast beter zullen doen in de bioscoop. Maar het is ook een film waarin de twee hoofdpersonen, een mannelijke en vrouwelijke agent, bijna voortdurend aan het woord zijn en op tv-formaat in beeld verschijnen, wat wel zo makkelijk wegkijkt vanaf de bank. Misschien werd hier dus gemikt op de beamer. Maar wanneer hoort een film überhaupt per se in de bioscoop thuis? Wat hebben we gemist, al die tijd dat we thuis aan het streamen en beamen waren?

Censor

In artikelen over het terugverlangen naar het pluche en de magie van de bioscoop ligt de nadruk meestal op de collectieve ervaring. Eén vast voorbeeld is horror: er gaat niks boven gemeenschappelijk gruwelen. Maar wat te denken van Berlinale-titel Censor van Prano Bailey-Bond? Die brengt een liefdevolle hommage, ook in de vorm, aan de video nasties: vhs-horror die in Thatchers Engeland van alles en nog wat de schuld kreeg. Dat past dus juist goed thuis. Maar Censor wisselt die vhs-look wel af met widescreen-beelden en dat spel met kadrering is op televisie slechts een beeldordening, een vorm van informatie. Het mist het fysieke effect dat je blikveld wordt vernauwd (tot 4:3) of juist overweldigd (met 2.39:1), zoals in de bioscoop (als je tenminste niet te ver naar achteren zit). Bovendien is de film geschoten op 35mm en missen we thuis allicht nuances in kleur, belichting en detaillering, met name in de duistere scènes, ’s nachts in het bos bij de hut met de bijl en de vrouw in de witte jurk.

Porno kijken we natuurlijk normaal gesproken thuis. Maar juist daarom had ik de expliciete openingsscène van Radu Jude’s Bad Luck Banging or Loony Porn (winnaar van de Gouden Beer) graag in een volle zaal beleefd. Het ongemak en de opwinding van het gezamenlijk kijken naar expliciete seks zet precies de goede toon voor deze film over maatschappelijke hypocrisie. Er was bovendien geen film waarbij ik sterker de discussie aan de bar achteraf miste.

Maar dat wil niet zeggen dat elke film per se in de bioscoop hoeft. Sterker nog, Natalie Morales’ Language Lessons hoort gewoon thuis op de bank. Een typische coronafilm over twee mensen (gespeeld door Mark Duplass en Morales zelf) die via videobellen contact leggen. Niks logischer dan zelf ook op je laptop te kijken – ook vanwege de beeldkwaliteit. Met wel als verwarrend bijeffect dat als het beeld hapert, blokkerig wordt of wegvalt, je niet meteen kunt weten of dat aan je eigen verbinding ligt of bij de film hoort.

De korte Nederlandse documentaire Lost on Arrival van PolakVanBekkum (Forum Expanded, eerder door IDFA geselecteerd) vind ik zelfs het beste werken met m’n ogen dicht: de telefoongesprekken van een man die langzaam z’n geheugen verliest winnen niks wezenlijks met het shot van z’n uitzicht, en in het duister klinkt de stem des te intiemer dichtbij.

En dan zijn er films als Hong Sang-soo’s Inteurodeoksyeon (winnaar van de prijs voor Beste Scenario; hardop uitspreken voor de Engelse titel) en het enigszins verwante Wheel of Fortune and Fantasy van Ryusuke Hamaguchi (winnaar Grote Juryprijs), over steeds twee of drie mensen die met elkaar praten, kalm geregistreerd door de camera. Volgens mij mis je niets door die thuis te kijken. Ook Bence Fliegaufs Forest – I See You Everywhere (prijs voor Beste Bijrol voor Lilla Kizlinger) draait om gesprekken, maar hier houdt de camera de emotionele confrontaties met een soort panische betrokkenheid in de gaten. Ik ben wel nieuwsgierig of de benauwende intensiteit die Fliegauf bereikt ook een bioscooppubliek twee uur zou beethouden, maar het zou me niet verbazen als ook deze film juist thuis het beste tot zijn recht komt.

Petite maman

Maar laten we wel zijn: ook vóór de pandemie waren genoeg bioscoopfilms in feite veredelde tv-producties. Films die je prima in de bioscoop kunt zien, daar niet van, met extra mooi beeld en geluid, maar waarbij je thuis op het kleine scherm niks wezenlijks mist. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor Céline Sciamma’s charmante Petite maman, die net zo goed werkt op het petit écran. En voor Herr Bachmann und seine Klasse (winnaar Juryprijs), Maria Speths observerende documentaire over een schoolklas. Die film duurt bovendien drieënhalf uur, wat in de bioscoop een hele zit is. Alleen de tussenshots van de omgeving in Herr Bachmann zouden het waarschijnlijk beter doen in de bioscoop. Thuis duren die shots eigenlijk gewoon te lang. Vanuit de bioscoopstoel zouden de gedetailleerde vergezichten vermoedelijk wel de contemplatieve rustmomenten bieden waarvoor ze bedoeld lijken.

Want in de bioscoop, tempel van de cinema, werken rust en stilte veel beter dan thuis. Zie ook Yujiro Harumoto’s elegante A Balance, over een documentairemaker die een schandaal onderzoekt. Met tweeënhalf uur is die eveneens aan de lange kant, terwijl het camerawerk en de nadruk op dialogen ook net zo goed, zo niet beter op een televisiescherm werken. Maar met z’n rustige begin en vooral de afwezigheid van muziek vergt de film een concentratie en overgave die thuis lastiger op te brengen zijn.

Brother’s Keeper

Waar de omvang van het bioscoopscherm zich sterk doet gelden is bij de beleving van een locatie. De onderdompeling in het enorme scherm is een fysieke ervaring, die niet alleen aan je hoofd, maar aan je hele lichaam de indruk overdraagt hoe het is om, bijvoorbeeld, door de gangen te lopen en tegen de bergen op te kijken van Ferit Karahans Brother’s Keeper (winnaar van de Fipresci-prijs in de sectie Panorama). Die film creëert een zeer sterke sense of place van een ingesneeuwde kostschool in het Koerdische oosten van Turkije. Dat was in de bioscoop ongetwijfeld nog krachtiger geweest.

De ervaring van locatie is ook cruciaal voor Natural Light (prijs voor Beste Regie), een historisch drama over Hongaarse fascisten die voor de nazi’s op partizanen jagen in de Sovjet-Unie. Maar de grauwe, kille winterbossen tartten de contrastwaarden en kleurgradaties van mijn televisiescherm. Ik durf er wat op in te zetten dat de schaduwen dieper, de schemering zachter en de besneeuwde bossen gedetailleerder zullen zijn in de bioscoop – en dus de ervaring heviger. Maar zeker weten kan ik het niet. In die zin doen we als filmjournalisten die de Berlinale vanaf het kleine scherm verslaan alsof. We kunnen niet weten hoe veel subtieler en rijker de beelden zullen blijken te zijn in de bioscoop en welke emotionele, hypnotiserende, verhevigde en daardoor misschien zelfs verheffende ervaring ze daarmee zullen creëren; we kunnen er alleen, op basis van ervaring, een geoefende slag naar slaan.

From the Wild Sea

Van geluid is nog moeilijker te weten wat je mist. Het zou bijvoorbeeld goed kunnen dat de bossen in Censor en Natural Light met bioscoopgeluid nog bedreigender zullen zijn – maar dat is afwachten. Maar dat de storm die op de kust dreunt in Robin Petré’s documentaire From the Wild Sea in de bioscoop harder aan zal komen, kan bijna niet anders. Net zoals de achttien meter (als ik goed heb opgelet) lange aangespoelde walvis als laatste eer een scherm verdient waar hij zo dicht mogelijk bij ware grootte komt. Kijk thuis de trailer en je begrijpt wat ik bedoel: ongeveer de helft van de shots smeken om een groter scherm.

Nog sterker geldt dat voor Shengze Zhu’s A River Runs, Turns, Erases, Replaces. De film deed me denken aan die keer dat ik in Theater Desmet in Amsterdam voor het eerst David Leans Lawrence of Arabia (1962) zag. De zaal was uitverkocht en ik had de laatste stoel vooraan. Op zeker moment was ik naar Lawrence aan het kijken die op z’n kameel door de woestijn liep, langzaam deinend op Maurice Jarre’s score. Ik keek recht vooruit, zat ontspannen; pas toen ik opkeek zag ik de berg die boven hem uit torende. Zo’n ervaring is op het kleine scherm onmogelijk.

De beelden van A River Runs zijn ook zo gecomponeerd. Het zijn weidse kijkplaten van Wuhan, met veel diepte en lagen, die lang worden aangehouden zonder dat het kader beweegt – een uitnodiging aan het oog om te dwalen. Met onder in beeld mensen, klein, soms heel klein, en daarboven gebouwen en luchten en smog, terwijl een brede rivier voorbij stroomt. Aan alles is te zien dat deze beelden zijn gemaakt voor een groter scherm, waarop die kleine mensen levensgroot zijn, recht voor je neus als je op de voorste rijen zit, en je op kan kijken tegen de gebouwen en de hemel. Dit thuis kijken is alsof je naar Bosch’ Tuin der lusten kijkt op placemat-formaat. Je kunt best zien dat het iets bijzonders is, maar het is direct duidelijk dat niet zo bedoeld is en dat je iets wezenlijks mist. Dit hoort groot.

Courage

Toch is er één moment dat ik nóg liever in de bioscoop had gezien. De gesprekken en portretten van activisten in Aliaksei Paluyans documentaire Courage, over de strijd tegen de Wit-Russische dictator Loekasjenko, werken prima op het kleine scherm. Maar de nog altijd voortdurende protesten filmt Paluyan niet met een schuddende camera en de ongepolijste urgentie van het moment, maar met een schilderachtige mise-en-scène. Alsof hij nu alvast, live, de historische dramatisering verfilmt. Voor de bioscoop. Terwijl de activisten soms de moed verliezen, nemen de demonstraties stap voor stap in omvang toe. Waarbij de uiteindelijke beelden van een plein vol mensen met vlaggen en spandoeken zo onbevattelijk groots zijn, tegen alle onderdrukking in, dat ik zelfs voor m’n televisiescherm naar adem hapte. Zo’n moment verdient, als de bioscopen weer opengaan en festivals weer echt bestaan, het grootst mogelijke scherm met de beste kwaliteit geluid. En dan vind je me op de beste stoel, vooraan, in het midden van de eerste rij.