World Wide Angle #92

Transcendentie

De Australische filmcriticus Adrian Martin kijkt naar opvallende discussies en tendensen rond filmmakers.

Door Adrian Martin

In haar essayfictie Aliens & Anorexia (2000) beschrijft Chris Kraus hoe haar partner haar aanraadt zichzelf feminist te gaan noemen om haar kans op succes in de kunstwereld te vergroten. Kraus protesteert: "Waarom moeten vrouwen er genoegen mee nemen om alleen over vrouwelijkheid te praten terwijl mannen de grenzen van gender kunnen ontstijgen?"
Dat kun je op verschillende manieren aanvechten, maar het bevat toch een verontrustende waarheid die ingaat tegen heersende opvattingen in het intellectuele en filosofische debat. Want heeft een kwarteeuw aan ‘identiteitspolitiek’ en feministische/queer-filosofie van ‘belichaming’ (embodiment) ons niet geleerd dat we moeten vechten voor — en namens — wie we echt zijn, met onze lichamen, leeftijden, nationaliteiten, sociale posities?
Verontrustende flashback: in 1996 vertelde de publiciteitsagent van een commerciële distributeur me dat ik, als man van 36, gewoon "niet de doelgroep" was voor Barbra Streisands The Mirror Has Two Faces, en dus ook niet de geschikte persoon om die film te recenseren. Ik, die (uitgerekend) lange, juichende recensies had geschreven over Streisands Yentl (1983) en The Prince of Tides (1991)!
Tegenwoordig is het doelgroepdenken weer helemaal terug maar in een nieuwe vorm, die identiteits­politiek en market-speak mixt met het soort ‘data-analyse’ waar universiteiten tegenwoordig meteen van beginnen te kwijlen: demographics. Toen The Dressmaker van Jocelyn Moorhouse in Groot-Brittannië verscheen, werd bepaalde kritiek (op sociale media) weggewuifd omdat die kwam van iemand die "niet tot de doelgroep van deze film behoort". Dat wil zeggen: niet vrouw, niet homo, waarschijnlijk te oud…
Deze logica is op veel terreinen aan kracht aan het winnen. Clem Bastow verdedigde in The Guardian Nancy Meyers The Intern met de bewering dat de mannelijke filmcritici, die (zowel in print als online) verreweg de meeste posities bezetten, gewoon niet de juiste mentaliteit hadden om een ‘vrouwenfilm’ te waarderen. Dat er meer vrouwelijke filmcritici (van alle leeftijden) moeten publiceren is zeker waar. Maar Bastows analyse van The Intern ging mank: ze beweerde dat, in vergelijking met James L. Brooks (!), "Meyers personages echt en complex zijn… op geen enkel moment lijken de problemen onwaarschijnlijk of bedacht". Dan kunnen we in dit geval afgezaagde, reactionaire ‘representatie’-politiek (films moeten het echte leven weerspiegelen) aan de demografische rekensom toevoegen.
Een andere in Australië werkzame commentator, Lisa French, ging in The Conversation nog een stap verder dan Bastow: "De meeste critici vertegenwoordigen niet het publiek, dat niet alleen uit mannen boven de veertig bestaat… filmcritici neigen naar films die geschreven en geregisseerd zijn door mensen van hun eigen geslacht. Net zoals het waarschijnlijk is dat recensenten uit dezelfde demografische categorie neigen naar films met eenzelfde wereldbeeld… vrouwelijk publiek vindt het moeilijker om gezichtspunten te vinden die op hun eigen gezichtspunten lijken."
Wat ergert mij zo in deze samenloop van hedendaagse meningen? Ik vind het idee dat wie we in sociaal opzicht zijn zo gefixeerd en precies is, dat daaruit een exacte voorkeur in films en een specifieke wereldvisie volgt, weerzinwekkend, en het tegenovergestelde van elke politiek die de moeite waard is om te ondersteunen. Welke demographic kan verklaren dat ik evenveel en tegelijk van Johnny Guitar (Ray), Outer Space (Tscherkassky), Mad Max: Fury Road (Miller), No Home Movie (Akerman), Smiley Face (Araki) en The Prince of Tides houd? Ik ben niet speciaal, geen verheven cinefiel in dat opzicht. Het gaat niet om de vraag hoe je materiële plek in de wereld bepaalt waar je van houdt, maar om openstaan, en toegang hebben tot alles wat daarbuiten te halen valt.
En toch blijf ik de blijkbaar serieuze bewering lezen dat ik, als man van over de 50, ‘natuurlijk’ zal neigen naar films van mannen over de 50 — net als vrouwen onder de 30 naar films van even oude vrouwelijke makers. En dat we op de kapitalistische markt dus allemaal fatsoenlijke spiegelbeelden nodig hebben. Het is een conservatieve, verderfelijke logica.
Ja, dat overstijgen van beperkingen, die transcendentie, is een romantisch ideaal. Niet ieder van ons is vrij om het te doen. En soms zijn het juist degenen die praten over ‘boven zichzelf uitstijgen’, over simpelweg ‘mens zijn’, die meedogenloos zijn in het exploiteren van dat privilege. Maar transcendentie verwijst niet naar de wereld zoals die is, meer naar hoe die zou kunnen of zou moeten zijn. Het is een utopisch idee. En utopie is niet altijd een vies woord.

Geschreven door Adrian Martin