Embé #2
Stemmen horen
Het uitzendbureau voor denkbeeldige vrienden
Martijn Blekendaal (The Invisible Ones; De man die achter de horizon keek) schrijft maandelijks over de oneindige mogelijkheden van de jeugddocumentaire.
De première op IDFA is alweer lang voorbij, maar het beeld blijft me achtervolgen. In Mijn woord tegen het mijne laat Maasja Ooms mensen aan het woord die stemmen horen. Mensen zoals Tamira.
Vrij vroeg in de film zit een moment dat mij maar niet loslaat. Wat er precies gebeurt, is moeilijk aan te wijzen – laat staan te beschrijven. Zoals Tamira’s hoofd nauwelijks waarneembaar kantelt. De minieme verschuiving in haar blik. Een volgende zin die net even te lang op zich laat wachten. En je beseft: ik kijk nog wel naar Tamira, maar wat ik zie is de kwade stem die ook in haar huist, en die nu het woord heeft genomen. In alle subtiliteit en gelaagdheid is het overweldigender dan de beroemde scène in The Exorcist (1973) waarin de kwade geest bezit neemt van het jonge meisje Regan. Griezeliger ook, want dit is documentaire.
Een van mijn favoriete denkoefeningen na het zien van een goede film: hoe zou je van dit verhaal of onderwerp een jeugddocumentaire kunnen maken? De vraag die daaronder ligt, is natuurlijk: wat definieert een jeugddocumentaire? De grote misvatting, stelde ik al in mijn vorige column: dat een jeugddocumentaire over een kind of groep kinderen zou moeten gaan. Naar mijn mening leent vrijwel ieder onderwerp zich voor een jeugddocumentaire. Waarin de jeugddocumentaire zich onderscheidt, is het publiek.
Dat is ook wat jeugddocumentaire zo uitdagend maakt. De extra opgave. Het is al een hele klus om je verhaal zo te vertellen dat het recht doet aan de waarachtigheid, de gevoeligheden en urgentie van het onderwerp. Maar bij jeugddocumentaires komt daar nog iets bij: het vinden van een (vertel)vorm en beeldtaal die aansluit bij een heel specifiek en veeleisend publiek: tieners. Een zegen voor de creativiteit zou je denken. Maar dan moet je die uitdaging natuurlijk wel durven aangaan.
Het duurde even voor ik ’m vond, maar zelfs Mijn woord tegen het mijne kent een jeugddocumentaire tegenhanger. In Het uitzendbureau voor denkbeeldige vrienden combineert filmacademiestudent Randy Duursma documentaire met animatie en gaat het over mensen die stemmen horen. Maar de hoofdpersoon van deze derdejaars(!) film is Pip, een lief Barbapapa-achtig figuurtje. Pip is de dwingende stem in het hoofd van een jonge vrouw. Om haar te helpen, denkt Pip. Maar de vrouw wil juist van haar dwangneuroses af. En dat maakt Pip onzeker.
Zonder de moeizame worsteling van iemand die stemmen hoort uit het oog te verliezen, maakt Duursma’s speelse omkering van het perspectief de mensen minder ‘gek’. Zijn film bewijst dat je met de juiste vorm en taal zelfs de zwaarste onderwerpen geschikt en inzichtelijk kan maken voor een jong publiek.