Viennale

Oog en sleutel

  • Datum 22-03-2016
  • Auteur
  • Deel dit artikel

Stills uit EMPIRES OF TIN (met dank aan Barbara Hin)

De Viennale is geen filmfestival. Het is een mentaliteit. Dit jaar werd die geïllustreerd door Jem Cohens ‘muzikale documentaire-hallucinatie’ evening’s civil twilight in empires of tin, een onontkoombare reis door tijd en geschiedenis in de sporen van keizers en voetsoldaten. Zoiets moet festivaldirecteur Hans Hurch bedoelen als hij in de catalogus filosoof Walter Benjamin aanhaalt en zegt dat filmfestivals de taak hebben de schok van het kunstwerk te verlengen.

Er staat een huis in Brooklyn. Het adverteert zijn eigen afbraak. Kijk, zegt het, ik ben te sloop. Eigenlijk zegt het: ik ben al geen huis meer, ik ben niet opgetrokken uit baksteen en cement, ik leef alleen tussen de atomen. Dááág, ik ben even uit wandelen in het braakland achter mijn achtertuin. Ik ben een spookfantoom. Zoek me niet hier. Ik ben alweer verder. Zoek me bij dag of bij nacht, maar je ziet me alleen als je tussen de fragiele wimpertralies van je ogen naar buiten gluurt.

Er staat een huis in Brooklyn. En soms materialiseert het in Wenen. Moe als de geschiedenis. Door zijn eigen schaduw overeind gehouden. Een visuele echo. Een waanvoorstelling in het eerste ochtendlicht. En het houdt aan zijn naakte, van de wereld losgescheurde zijde het weerloze silhouet van een ongeboren broertje tegen zich aangeklemd.

Dit huis is huis en tegen-huis, beeld en tegen-beeld, voetstap en voetafdruk, stutsteen en steunpilaar. Een en al negatieve ruimte, gevuld met tijd en herinnering. En het staat middenin het tinnen keizerrijk dat de New Yorkse filmmaker Jem Cohen (lost book found, chain, blessed are the dreams of men) filmde en orchestreerde voor zijn nieuwste werk evening’s civil twilight in empires of tin, dat dit jaar op het Weense filmfestival Viennale in première ging en tegelijkertijd op dvd is verschenen. Toch is de intimiteit van de gedeelde bioscoopervaring tijdens een festivalvertoning bij deze film veruit te prefereren boven het solipsisme van een tv-scherm-spiegel. Geluid! Muziek! Beelden die letterlijk aan de duisternis ontsnappen! De empires of tin-film is de weerslag en zoveel meer van een groots live film- en muziekproject dat vorig jaar door festivaldirecteur Hans Hurch werd geïnitieerd en waaraan behalve Cohen muzikanten en bands als Vic Chesnutt, Guy Picciotto (Fugazi), Silver Mt. Zion en The Quavers meewerkten. empires is net zoveel film als muziek. En stelt door z’n innerlijke dynamiek en passant de meeste concertfilms in de schaduw. Maar dat wisten we al van Cohens Fugazi-film instrument en building a broken mousetrap, dat een concert van The Ex documenteerde.

Terug naar het huis. Welke keizer heeft hier gewoond? Is hij de heerser van het schimmenrijk? Is hij de standvastige tinnen soldaat uit Hans Christian Andersens sprookje?

De filmvertoning van empires in Wenen was een spiegel van dat eenmalige evenement van vorig jaar, de dvd is een reflectie van de filmvertoning voor thuis op het kleine scherm, en de imprint in de herinnering is de weerkaatsing van de reeks toevalligheden waar het allemaal mee begon. Met Joseph Roths weemoedig-kritische onttakeling van de Donaumonarchie bijvoorbeeld, die hij beschreef in zijn roman Radetzkymars (1932), die Cohen van Efrim Menuk van de Canadese band Silver Mt. Zion kreeg aangeraden. empires is zowel deconstructie als reconstructie van Roths omzwervingen (flarden van de tekst worden door Viennale-oudgediende Bobby Sommers voorgedragen) en Johann Straus’ ‘Radetzkymarsch’ die de roman zijn naam gaf.
Of misschien begon het al voordat het begon, toen Cohen in Wenen de keizerlijke grafkelder oftewel de Kapuzinergruft filmde, waar sinds 1633 de Oostenrijkse Habsburgers zijn bijgezet. En mag het dan nog toeval heten dat Die Kapuzinergruft óók een boek van diezelfde Joseph Roth is?
De rest van de connecties en dwarsverbanden laat ik aan schatgravers en verhalenvertellers. Cohen zelf noemt de ‘muzikale documentaire-hallucinatie’ empires een zoektocht naar de Doppler-effecten van de geschiedenis. Dat wil zeggen: naar hoe licht- en geluidsgolven veranderen naarmate de afstand tot de bron groter of kleiner wordt. Maar het bedrieglijke met geschiedenis is natuurlijk dat je nooit weet wat oorzaak en gevolg is, waar de bron ligt, omdat het beginpunt altijd het heden is.

Gelukkig kunnen de lichtbeelden van de film en het geluidspinsels van de muzikanten je precies die richting uitsturen die je moet gaan om te verdwalen.

Dat huis staat er nog wel even.

Als toeschouwer van empires word je uitgedaagd om je af te vragen wat nu echter is: de happening van vorig jaar, de film, de dvd, de herinnering? Het huis of z’n schaduw? De schaduw, of z’n silhouet? Het silhouet of de suggestie dat alles zinsbegoocheling is? Beelden in diaspora, op zoek naar een verloren zin. Trompe l’oeuil. Noodzakelijke basisvragen over wat film is. Wat deze film is. Want komt er wel rook uit die schoorsteen? Kan het raam op de eerste verdieping wel open? Er is geen enkele garantie dat wat je ziet ook echt bestaat. En daar gaat ’t in film om natuurlijk. In deze film om natuurlijk. Om te zien dat George W. Bush de vader van Franz Joseph I is bijvoorbeeld. Als je de tijd om kon draaien. Om vaders en zonen en de liederen van dynastieën en de vraag hoe we ooit aan de vloek van generaties kunnen ontsnappen. Om de schijnbeelden die tevoorschijn komen als de wereld even vergeet om z’n as te tollen. In het scheerlicht van de zon op een late winterdag, vlak voordat de volle maan opkomt.

Jem Cohen filmt graag in dat ‘evening’s civil twilight’, tijdens valavond, de avondschemering, dat tijdstip van de dag dat, om precies te zijn, het middelpunt van de zon minder dan 6 graden onder de horizon staat. ‘L’heure bleue’, zoals de Fransen zeggen. Een tijdstip dat zowel schaamteloos romantisch als lichtelijk bedreigend is. En net zoals bij het Doppler-effect (is het toeval dat natuurkundige Christian Doppler een Wener was?) de golflengte van het geluid afhankelijk is van de beweging van het object, wordt de duur van schemering bepaald door waar de toeschouwer zich bevindt en in welk jaargetijde.
In het Nederlands heet dat tijdstip van ‘evening’s civil twilight’ de ‘burgerlijke schemering’, een sterrenkundige en militaire term voor dat moment waarop mensen en voorwerpen zich nog duidelijk aftekenen tegen de westelijke horizon. Maar hoe zit het met onze eigen ‘westerse horizon’? Is die nog zichtbaar? Het is aanlokkelijk om voor deze vraag een klein tijdsvacuüm te creëren — want de nacht waarin ik deze woorden schrijf is de nacht van de Amerikaanse presidentsverkiezingen en niemand weet wat het laatste licht daar en het eerste licht hier voor uitkomst zal brengen.
Liever nog dan in het laatste daglicht filmt Cohen trouwens waarschijnlijk later in de nacht, als alleen nog de laatste schaduwen een herinnering aan licht oproepen.

En er is nog iets anders aan de hand met de (avond)schemering. Het valsplatte licht laat elk gevoel van diepte en perspectief verdwijnen. In het halfdonker kun je niet meer zien of de geschiedenis zich van je af beweegt. Of juist naar je toe.

Veel van de beelden uit empires zijn aan het schemerduister onttrokken: de foto’s van keizer Franz Joseph I en zijn tijd werden met kaarslicht belicht en zo weer flikkerend in het duister als halfverteerde filmbeelden aan het filmdoek teruggegeven. Vic Chesnutt zingt: "The world is a sponge" — een zwart gat van materie die zichzelf absorbeert.

‘Der gasn nigun’ weerklinkt, het Jiddische volksliedje dat de reiziger bezingt die ‘de straten omgaat’. Op de overwoekerde joodse kerkhoven van Europa blijft het altijd herfst — de beroete oeroude boomstronken zijn versteend en met de graven vergroeid. Maar de rusteloze zielen blijven altijd onderweg, tot de violist zijn strijkstok neerlegt.

De wassenbeelden in het Weense pathologisch-anatomisch museum slapen als Sneeuwwitjes. Zo correct is de anatomische dood. Geishamaskers met kunstig opengewerkte lichamen. Hier zat haar hart. En hier, in deze aderen heeft haar bloed gestroomd. En nu is ze dood, dood, dood. Keizerrijken zijn bemest met lichamen, van de skeletten op de slagvelden, tot de uitgemergelde Christusfiguur, Shell-shocked aan zijn kruis.

Langzaamaan versmelten Wenen en New York, als in een uit de tijd gerukte ‘Tale of two cities’ tot een metageografische supermetropool waarin de woontorens door M.C. Escher zijn ontworpen: onmogelijke geometrische patronen, oneindig bedrieglijke perspectieven, Babylonische torens die ieder moment dreigen in te storten onder hun eigen wrakkige hoogmoed. Gezichtsbedrog, de optische illusie die ons metafysisch voorstellingsvermogen te boven gaat, is een essentieel onderdeel van deze beelden. Er moet steeds iets zichtbaar worden gemaakt, wat eigenlijk niet te zien is. Voortdurend verhullen en onthullen tegelijkertijd. Ondanks alle weemoed, woede, pijn, moet je deze beelden wel mooi vinden, omdat hun tragische schoonheid het laatste is dat overblijft. Verschijnen en verdwijnen. Steeds is er iets onzichtbaar, wat wel te zien is: als de camera de geconcentreerde gezichten van de musici bestudeert, loopt de film, ongezien, voort. Misschien hoor je dan wat je zou kunnen zien als je oren ogen waren: het geweervuur van Guy Picciotto’s gitaar, wenend, kreunend, geblesseerd over beelden van de slagvelden en loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Velden van eer. Velden van weleer. Het is lastig een ander voorbeeld te bedenken van een film waarvan de niet geziene beelden een essentiële resonans geven aan wat wel zichtbaar is.

Behalve misschien de films die wij dromen.

Dat culmineert in een hypnotiserende sequentie waarin de meest perifere delen van Brooklyn als stand-in fungeren voor het Silezische achterland van Joseph Roth. Oude vaganten kijken met hun meest lucide-waanzinnige blik de camera in. Zij hebben gezien. Gehuld in giftige mist worden we het niemandsland van een in de steek gelaten wereld in gezogen. ‘Time’ staat op witte vrachtwagens als enorme voorhistorische beesten. ‘Time movers’ en ‘Time storage’ op andere. Net als deze beelden slaan zij tijd op, slaan zij de tijd uit z’n lood.

‘Bayside’ leest een reservoir aan de waterkant. Dat vervaagt tot ‘Dayside’ als je bijziend bent. Dayside — is dit de dag-kant? Zoals Prousts ’temps perdu’ een kant van Swann en een kant van Guermantes had? Is deze scharlaken schemering van een brandende stad ‘evening’s civil twilight’, de nachtval van de beschaving, of een ‘civil twilight’, de dageraad van een nieuwe orde? De zon barst uit als een vulkaan boven de horizon. Het is weer dag. De destructie kan weer beginnen. Pendule van opbouw en afbraak.

Je eigen oog is de enige sleutel om door dit sleutelgat te komen.

Dana Linssen

evening’s civil twilight in empires of tin is op dvd uitgebracht door Constellation Records en de Viennale en te bestellen via viennale.at.