Verslag eerste lezing This Is Film! 2026

Militante, oncomfortabele Palestijnse films

Lezing Saeed Taji Farouky tijdens This Is Film! in Eye Filmmuseum. Foto: André Waardenburg

Strijdbaarheid stond centraal bij de aftrap van This is Film!, een reeks openbare lezingen plus filmvertoningen, met gastsprekers over audiovisuele archivering in wereldwijd perspectief. Activist en filmmaker Saeed Taji Farouky vertelde over het Palestine Film Institute en de Palestine Film Unit.

De woorden ‘verzet’, ‘revolutie’ en ‘militante cinema’ vielen meerdere malen in het betoog van journalist, activist en filmmaker Saeed Taji Farouky. Niet voor niets heet de door hem opgerichte filmopleiding de Radical Film School.

De Palestijns-Egyptische Farouky opende op 4 maart jongstleden in Eye Filmmuseum de nieuwste editie van de reeks over filmerfgoed, This Is Film!: Film Heritage in Practice. Die staat dit jaar in het teken van ‘de toekomst van filmprogrammeren’, eind mei ook het thema van de Eye International Conference.

Farouky sprak over het Palestijns Filminstituut, waar hij deel van uitmaakt. De aftrap van de openbare collegereeks was uitverkocht, al waren er nog wat lege plekken. Bij het betreden van de zaal vroeg een discreet opgestelde activist aandacht voor de Palestijnse zaak.

De in Londen woonachtige Farouky vertelde dat het Palestine Film Institute (PFI) sinds 2019 het filmerfgoed van Palestina beheert en promoot. Althans, wat daarvan over is. In 1982 confisqueerden de Israëli’s het archief en namen het vanuit Beiroet mee naar Israël. Maar Farouky’s inschatting is dat sindsdien zo’n tachtig procent van het archief weer terug is, dankzij duplicaten van de verdwenen (lees: gestolen) films, nieuwe schenkingen en verstofte nalatenschappen. Een deel van het archief wordt wekelijks online beschikbaar gemaakt via het Palestine Film Platform, onderdeel van het PFI.

AK47
Het Palestijns Filminstituut is niet de eerste organisatie die zich bezighoudt met de Palestijnse film. In 1968 werd de Palestine Film Unit opgericht, een politiek filmcollectief dat vanuit Jordanië en Libanon opereerde, met als doel het maken van activistische films. De door de groep gemaakte films dienden als tegenwicht voor de zionistische propaganda die Israël al decennia verspreidde (en nog steeds verspreidt). Het ging het collectief niet om film als kunstvorm, maar als middel om discussies te entameren, solidariteit tussen Palestijnen en gelijkgestemden te bevorderen en als krachtig wapen in de revolutionaire strijd voor een onafhankelijk Palestina. Het logo was dan ook een combinatie van een camera en een AK47 – hét wapen van revolutionairen over heel de wereld.

De strijdbare Farouky plaatste het collectief in een breder filmhistorisch perspectief, met name dat van de Third Cinema-beweging. Deze beweging kwam eind jaren zestig op in Latijns-Amerikaanse landen en zette zich af tegen het door geldelijk gewin gedreven Hollywood dat ideologische propaganda maakt voor het kapitalisme en de Amerikaanse droom mythologiseert. Anderzijds waren ze kritisch op de Europese kunstzinnige cinema. Die was teveel gericht op het l’art pour l’art-principe, met individuen in plaats van een collectief als held, en bovendien met helden die net als de filmmakers vaak witte mannen zijn. Van het idee van de regisseur als geniale ‘auteurs’ gruwden ze.

Third Cinema, en ook de Palestine Film Unit, was expliciet politiek; niet het maken van esthetisch overweldigende films was de bedoeling, maar van militante films die aanzetten tot de revolutie, tot het oppakken van de wapens. Zo was de Palestijnse verzetsliteratuur van mensen als schrijver Ghassan Kanafani het lichtende voorbeeld. (Kanafani’s invloedrijke novelle Mannen in de zon werd in 2023 in een Nederlandse vertaling uitgebracht.)

Belichaamd archief
Farouky reflecteerde ook op de toekomst van het Palestijns Filminstituut. Willen ze het archief in oude staat herstellen en weer in een fysiek gebouw huizen? Met daarin dan dezelfde films als in 1982, toen Israëlische militairen het archief meenamen? Of moet het een archief zonder vaste verblijfplek worden? Dan kan het minder makkelijk opnieuw gestolen of gebombardeerd worden.

Veel van de films circuleren nu al online, en dat moedigde Farouky ook aan: deel de films vooral, verspreid ze desnoods illegaal, copyright is heel erg Westers – al moeten sommige makers toch echt van hun films leven. Verder bestaat er zoiets als een ‘belichaamd archief’: wie deze films ziet, draagt ze voor altijd met zich mee. Het is bovendien een levend archief. Dagelijks wordt er beeldmateriaal aan toegevoegd, vooral (gruwelijke) video’s uit Gaza die de genocide vastleggen, maar ook het alledaagse leven. Hoe dan ook, álle films uit het archief zijn een voorbeeld van Palestijnse cultureel verzet tegen de overheersers: het verleden kan niet uitgewist worden, wat Israël ook probeert.

Na Farouky’s lezing was er een discussie onder leiding van Jamil Fiorino-Habib, promovendus aan de Rijksuniversiteit Groningen. Helaas was hij langer aan het woord dan Farouky, en kwamen uit zijn met veel academisch jargon doorspekte betogen geen concrete vragen voort.

Wel waren er nog wat kritische opmerkingen van Farouky over bijvoorbeeld de Berlinale, dat dit jaar geen statement over de genocide op de Palestijnen wilde maken en zich sowieso liever verre van politiek houdt. Farouky benadrukte dat de A-festivals wel goede sier maken met films van hem of andere Palestijnse makers, films waar die makers hun leven voor wagen, maar verder hun nek niet uit durven steken. Hij pleitte dan ook voor vertoning van Palestijnse en andere Arabische films in het mondiale Zuiden, op filmfestivals aldaar. Cinema moet volgens hem uiterst serieus genomen worden, niet als neoliberaal product, maar als revolutionaire daad. Daarbij ziet Farouky media als onmisbaar onderdeel van het oorlogstoneel, waarbij beelden en beeldvorming cruciaal zijn. Als ergens geen beeld van is, bestaat het niet.

Oncomfortabel
De strijdbaarheid van Farouky zag je terug in het filmprogramma, dat een historisch overzicht gaf van politiek-activistische Palestijnse films die volgens hem zowel qua inhoud als stijl best ‘oncomfortabel’ mochten zijn. De drie korte radicale films werden ook steeds experimenteler, waarbij Neantir (Yann Beauvais, 2024) een aanslag op de zintuigen was. Een andere film toonde middels splitscreens luchtbeelden van verwoesting naast de relatief vredige situatie van voor de oorlog.

They Do Not Exist

Het programma begon met de herontdekte klassieker They Do Not Exist (Mustafa Abu Ali, 1974; te zien op YouTube). De titel slaat op een uitspraak van toenmalig premier Golda Meir, waarbij de ‘they’ uiteraard voor de Palestijnen staat. Ali’s korte film documenteert onder meer een Israëlische aanval op het Libanese vluchtelingenkamp Nabatia, waarbij vrijwel heel het kamp wordt gedecimeerd. De beelden waren dan wel zwart-wit, maar de parallel met het huiveringwekkende heden was onontkoombaar.


This Is Film! 2026 telt na deze opening nog vijf edities en vindt eens in de twee weken plaats; het eerstvolgende openbare college is op 18 maart 2026 en gaat over het vertonen van gerestaureerde klassieke films op internationale filmfestivals, zoals het Cannes Classics-programma.

Voor meer over de Palestinian Film Unit, zie Senses of Cinema. Lees ook ‘For an Imperfect Cinema’, een sleutelessay van de Third Cinema-beweging.