Verslag: Dau in Parijs

De nieuwe kleren van de keizer

Na een valse start, waarbij de autoriteiten de opening een dag tegenhielden wegens naar verluid ontbrekende vergunningen, opende Dau van Ilya Khrzhanovsky zijn deuren in Parijs. Wat begon als filmbiografie van de Russisch-Joodse fysicus Lev Landau, groeide uit tot levensgrote set van een Sovjet-onderzoeksinstituut waarin jaren lang mensen leefden en opnames gemaakt werden. Het resultaat was al ruim voor zijn première een beroemd én berucht interactief kunstproject. Sacha Gertsik was één van de bijna 40.000 mensen die Dau in Parijs bezochten. Ze doet verslag van haar ervaringen en deelt haar vraagtekens over de status van het mannelijke ‘genie’ in de kunsten.

Online heb ik de questionnaire ingevuld met zeer persoonlijke vragen. Nu sta ik, stipt om 21:00 zoals op mijn uitnodiging aangegeven, bij het Visacentrum op het Place de Châtelet, tussen de twee theaters waar Dau in Parijs is neergestreken: het Théâtre du Châtelet en het Théâtre de la Ville. Het visum zal me onbeperkt toegang geven tot Dau. Maar geen Sovjet-ervaring zonder rij. Na een half uur wordt mijn foto genomen en kan ik met mijn vers geprinte visum naar binnen. Ik was al gewaarschuwd: er wordt streng gecontroleerd op mobiele telefoons, die ik dan ook gelijk moet inleveren. En zo sta ik binnen in het Théâtre du Châtelet, dat net als de Théâtre de la Ville wordt gerenoveerd en daarom een passend kale, betonnige sfeer heeft. Om mij heen bezoekers, acteurs en ook wassen beelden van personages uit de films. In het halfdonker van dit gebouw weet je nooit zeker wie je voor je hebt.

Het is zondagavond, de sfeer is uitgelaten maar ook chaotisch: bezoekers weten niet helemaal waar ze heen moeten, het in hippe overalls geklede personeel weet maar ten dele hun vragen te beantwoorden. Toch is er genoeg te doen: de dertien films en serie die onderdeel zijn van het project worden vertoond (al weet niemand precies wanneer), er zijn optredens (al weet niemand precies van wie) en er is een archief aan beeldmateriaal dat op computers te bekijken is. Maar er is ook een gemeenschappelijke flatwoning nagebouwd, een komunalka zoals deze in de Sovjetunie veel voorkwam; er is een installatie in het Centre Pompidou; er zijn privéhokjes waar je begeleid door professionals (psychologen, geestelijken, sjamanen) jouw ervaringen met dit project kunt verwerken; er zijn een restaurant en een seksbar.

Uiteindelijk zal ik tijdens mijn in totaal twaalf uur durende bezoek aan deze editie van Dau één film en een stuk van de serie zien, twee concerten bijwonen en praten met de authentieke Russische oma’s die overdag de komunalka bevolken. En – heel even, maar toch – onderdeel van dit hele project worden.

ЗАЧЕМ
Maar voor nu dwaal ik rond. Het beloofde apparaat dat naar aanleiding van de door mij ingevulde persoonlijke vragenlijst een persoonlijk programma zou samenstellen blijft uit, dus ben ik overgeleverd aan wat zich aandient. Al snel hoor ik het personeel fluisteren over een film die zo meteen vertoond gaat worden. In de bioscoopzaal blijkt er echter eerst een concert van Russische folkloreliedjes plaats te vinden. Dan toch een film: Dau 2. Hoewel de titel anders doet vermoeden, draait deze film niet om het op Lev Landau geïnspireerde personage Dau zelf, maar om de wetenschappers die in zijn instituut werken. Hun verveling en werk, maar ook de paranoia die ontstaat onder druk van de (naar de KGB gemodelleerde) constant aanwezige geheime dienst.

De hoofdpersoon van de film, een Joodse onderzoeker die uiteindelijk vernederd maar niet gebroken wordt door agenten, wordt indrukwekkend gespeeld door Andrey Losev, geen professioneel acteur maar in werkelijk senior onderzoeker aan het Instituut voor Theoretische en Experimentele Fysica . In een interview met de Russische krant Kommersant zou hij later vertellen hoe het was om deel te nemen aan deze opnames. ‘Alles is daar echt, snap je? Het leven is echt. En ’s nachts komt de geheime dienst langs. Weet je, dat heeft effect. Als iemand dood gaat van angst, dan gaat hij dood van angst; onafhankelijk van of die angst reëel was.’ De angst in zijn ogen ziet er reëel uit. Net als de seks, de muis die levend ontleed wordt, en de vele hysterische vrouwen (een terugkerend thema, blijk later). Arthousefilm op zijn meest arthouse, maar dan met de kanttekening dat het voor de mensen in Het Instituut leefden dus echt voelde. Als een soort realityshow in de stijl van totalitarisme.

Later in het fragmentencentrum, waar op een computer een stroom aan beelden uit de films zonder context worden gepresenteerd, springen de vele emotionele vrouwen, de seks en dierenmartelingen natuurlijk vooral in het oog. Door die ontbrekende context rijst vooral de vraag: waarom, waartoe? Blijkbaar een gedeeld sentiment, aangezien iemand het Russische woord ЗАЧЕМ (WAAROM) op de kade tegenover het Théâtre du Châtelet heeft geschreven.

Stockholmsyndroom
Ondertussen is het diep in de nacht en ik dwaal nog steeds. Door de komunalka, die nu het domein is van de dronken Franse beau monde. De ramen hebben geen gordijnen, waardoor de minutieus nagemaakte Sovjet-realiteit in heftig contrast komt te staan met het hedendaagse Parijs. Ik steek de straat over en beland in wat hier de Seks Bar wordt genoemd – plastic sekspoppen aan de muur, neonwoorden SEKS in felroze en KINO in mintgroen die over elkaar heen flitsen, lauw Russisch bier en een stelletje dat zoent in de hoek.

Plotseling wordt een vertoning van de serie aangekondigd. Deze keer wel met Dau (Teodor Currentzis) en zijn vrije seksuele moraal in de hoofdrol. Hij orakelt over de vrije liefde, maar drijft zijn vrouw tot waanzin en zet twee jonge vrouwen in voor zijn seksuele rollenspelletjes. “Ben je gelukkig?”, vraagt Dau steeds aan iedereen, maar alles draait om zijn eigen seksuele bevrediging. Hoe langer de serie duurt, hoe moeilijker het voor mij wordt om te blijven kijken – steeds meer lijken zijn handelingen op stelselmatige psychologische mishandeling. Een van de jonge vrouwen geeft het op en loopt huilend en halfnaakt het huis uit; de andere blijft achter, ze kijkt alsof ze gewonnen heeft. Ik kan niet anders dan de conclusie trekken dat deze serie onbedoeld gaat over het Stockholmsyndroom.

En misschien niet alleen deze serie. Medewerker Albina Kovalyova beschreef Dau in haar stuk in de Telegraph als volgt: ‘Het is een studie van het dagelijks leven van wetenschappers en “gewone mensen”, een versnelde herhaling van het socialistische experiment van de Sovjetunie onder laboratoriumomstandigheden, waarbij werd onderzocht hoe mensen zich gedragen in de snelkookpan van een totalitair systeem. Dit is waar ik geloof dat de scheidslijnen tussen feit en fictie mogelijk vervaagd zijn.’

Kovalyova is een van de weinige medewerkers die de ethiek van dit project openlijk in twijfel trekken. Le Monde schreef een groot stuk over het ontstaan en omstandigheden van Dau, waaruit bleek dat de angsten en (fysieke) beproevingen die de medewerkers doorstonden heel echt voelden. Niemand wilde echter met naam en toenaam in de krant, want dat zou zorgen voor contractbreuk: in de contracten van alle acteurs zijn namelijk clausules opgenomen waarin hen uitdrukkelijk verboden wordt te praten met de pers. Dus het argument dat die vrouw die door een agent wordt verkracht met een fles dan maar had moeten klagen, zoals door een aantal critici gebruikt is als argument dat het allemaal zo heftig niet was, gaat niet op. De medewerkers die wél met de pers praten zijn bijna uitsluitend lovend.

Post-Sovjets spelen een potje Sovjet’
De volgende dag ga ik terug. Uitgeput; misschien door de donkere uitzichtloosheid die dit project voor mij uitstraalt, misschien door de heftige misogynie in bijna alle beelden die ik tot nu toe gezien heb. Deze keer wordt de komunalka bevolkt door twee Russische oma’s, waarmee ik in gesprek raak. Ze hebben duidelijk de opdracht gekregen te praten over vroeger. Maar als ik doorvraag willen ze maar al te graag hun heden met hun verleden vergelijken: “We konden vroeger misschien niet alles zeggen wat we wilden, maar we kregen ten minste wel pensioen.” Daar kan ik in komen. “En die Gulag die viel best mee – ik ken niemand die daar persoonlijk mee te maken heeft gehad.”

Het zijn geen bijzondere sentimenten in Rusland, maar ze zijn opvallend in een project dat, naast alle briljante kunstenaars die het verwelkomde, ook de zelfverklaarde nazi Maxim Martsinkevich (bijnaam Tesak, wat hakmes betekent) een platform gaf om zijn denkbeelden in uit te venten. Misschien is het allemaal bedoeld om via het verleden commentaar te leveren op het hedendaagse Rusland. Maar zoals voormalig scenarist van Dau Vladimir Sorokin schreef naar aanleiding van het zien van stukken van het project: “Waarom zou ik hiervan moeten genieten? Post-Sovjets spelen een potje Sovjet.” Als je deze gedachte voortzet: het komt te dicht bij de realiteit van het Rusland nu, maar zonder er vragen bij te stellen.

Dan kom ik onverwacht een van de kostuumontwerpers van Dau tegen – Olga Bekritskaya. Ze is aardig en grappig, beantwoord al mijn vragen over het project. Of het zwaar was? Vooral omdat het lang duurde. Of het leuk was? Natuurlijk, hoe vaak heb jij een wereld mogen scheppen! Of ze de films zwaar vindt? Ze lacht: “Och, als je die zwaar vindt dan had je daarbinnen rond moeten lopen. Dat was pas heftig.” Maar geruchten over (machts)misbruik ontkent ze. “Iedereen was daar vrijwillig, iedereen was altijd vrij om te gaan. En iedereen die daar bleef was er voor de kunst.”

Opeens neemt ze me mee naar een zeefdrukkerij. Ze blijken een lading Sovjet-ogende gewatteerde jassen te hebben opgeduikeld en bedrukken die nu met het logo van Dau. Er gebeurt iets wonderlijks: plotseling ben ik onderdeel van het project. Ik denk mee, pas de jassen, geef mijn mening. Andere bezoekers die binnenkomen en vragen stellen voelen nu als bezoekers, ik als deelnemer. Ik snap opeens wat Bekritskaya bedoelt: het creatieve proces zuigt je naar binnen. De lijn tussen realiteit en fictie is soms flinterdun.

De nieuwe kleren van de keizer
Hoe meer ik rondloop in Dau en hoe meer ik zie, hoe meer ik moet denken aan een kort verhaal van Jorge Luis Borges uit 1946. De paragraaf die Del rigor en la ciencia beslaat gaat over de obsessie met exactheid van de Cartografen in het Imperium. Zo graag willen ze de wereld correct en precies in kaart brengen, dat ze uiteindelijk een 1:1 kaart van het Imperium maken. Een kaart die al gauw door een volgende generatie als nutteloos wordt bestempeld en in verval raakt. Hij heeft geen nut omdat hij wel groot maar uiteindelijk inhoudsloos is. Wat is het nut van Dau? Vertelt het ons echt iets? Houdt het hedendaagse Russen een spiegel voor? Heeft dat zin, bij een project dat zeker weten nooit in Rusland vertoond zal worden? Of fascineert het ons vooral door zijn grootte?

Als je vanuit de bovenste etage van het Théâtre du Châtelet naar de Theatre de la Ville kijkt, zie je dat de indrukwekkende schermen die op de voorgevel Dau aanprijzen geflankeerd worden door twee nog veel grotere reclames voor de iPhone Xr. Dat is hoe dit project voelt: ingebed in een commerciële realiteit, die de inhoud uit elk project zuigt. De medewerking van onder andere kunstenaar Marina Abramovic, operaregisseur Peter Sellars en wereldberoemde wetenschappers zoals de Nobelprijswinnaar David Gross maar ook de onbekende maar indrukwekkende bijdragen van wetenschappers zoals Losev, sjamanen of doodgewone daklozen die hun ziel uiteindelijk blootlegden, het voelt allemaal hol. De beste illustratie daarvan is de cadeauwinkel in het Théâtre du Châtelet. Hier zijn de tinnen lepels uit het restaurant en condooms die als houdbaarheidsjaar 1959 vermelden te koop. Vergeet uw exemplaar niet te kopen, waarde bezoeker. Het is slim, grappig. En inhoudsloos.

In mijn twaalf uur binnen Dau heb ik nog maar een klein deel van het project gezien. Maar toch vraag ik me af of dit hele project niet gewoon verwerpelijk ouderwets is. Zoals Steve Rose in de Guardian schreef: dit project ontstond in een tijd waarin de mythe van de geïnspireerde mannelijke kunstenaar nog intact was. Vijftien jaar later ziet Dau het daglicht in een veranderd landschap. Khrzhanovsky kan, vooral uit Rusland, nog op veel waardering rekenen. Maar de belangrijkste vraag voor mij is hoe lang we blijven accepteren dat (machts)misbruik onderdeel moet zijn van (door vooral mannen gemaakte) kunst die wij geniaal vinden. Wanneer zien we in dat Dau niets anders is dan de nieuwe kleren van de Keizer?