Louis Malle
Kringelige signatuur
Le souffle au coeur
Het Filmmuseum wijdt een retrospectief aan de uiterst veelzijdige en daardoor nogal ongrijpbare regisseur Louis Malle (1932-1995). Van surrealistische uitspattingen tot beheerste dramatiek, van zwart-wit tot zuurstokbont.
Wanneer elke film een andere ingang tot het oeuvre van een regisseur is, dan bepaalt die entree misschien wel voor altijd je blik op dat oeuvre. Die ene film is in feite voor jou niets anders dan zijn of haar debuut. Hij vestigt je aandacht op een bepaalde thematiek, doet je ogen met een eigenzinnige beeldtaal kennismaken, leert je oren nieuwe geluiden. Bij de volgende films van dezelfde cineast ga je automatisch zoeken naar die thema’s, beelden en geluiden, en als je ze vindt, weet je het zeker: dít is de stijl van deze maker, hij vertelt zijn verhalen op díe manier en ze gaan heel vaak over dezelfde soort mensen, dezelfde onderwerpen, dezelfde wereld. De handtekening van een kunstenaar spreidt zich uit over meerdere werken, en laat zich daarom meestal pas vanaf een zekere afstand echt goed ontcijferen.
Wat de handtekening van Louis Malle (1932-1995) is, met welke kringels die signatuur begint en eindigt, hangt meer dan gewoonlijk af van de film die als introductie dient. Stel je voor dat je begint met de bont-surrealistische carrousselrit Zazie dans le métro, en dan doorschuift naar de duistere, zo mogelijk nog onwerkelijkere Alice in Wonderland-variant Black moon (1975). Typisch weer zo’n Fransoos die — het liefst achter jonge meisjes aanhobbelend — raar en absurd doet ten koste van zijn publiek.
Zou je dan kunnen denken. Is het Ascenseur pour l’echafaud (1957) die je aan Malle voorstelt, en zie je daarna Damage (1992) of Vanya on 42nd Street (1994), dan wordt Malle een scherp en meedogenloos observator van de onmogelijke, perverse en fatale liefde. Dezelfde trits suggereert dat Malle menselijke tragedies vooral naar coole trompetjazz vond klinken, terwijl het zelfmoordenaarsdrama Le feu follet (1963) melancholisch drijft op gymnopedies van Satie. Wel erg veel verboden geflikflooi tussen moeder en zoon of broer en zus bij Malle, van Black moon en Damage tot Le souffle au coeur (1971). De streepgezichten van Le feu follet doen herhaaldelijk denken aan het ascetische werk van Robert Bresson, bij wie Malle als assistent-regisseur begon. Het ook al zo onderkoelde collaborateursdrama Lacombe Lucien (1974) bevestigt die invloed.
En dan laten Brigitte Bardot én Jeanne Moreau in het spetterende, o zo commerciële Viva Maria (1965) opeens hun borsten zien. Weet je opeens helemaal niet meer wie Malle was en wat je van zijn films kunt verwachten. ‘Malle’, hoe schrijf je dat? En hoe ziet dat eruit? Heel klassiek, streng gekadreerd en strak in het pak als Le feu follet? Wellustig CinemaScope á la Les amants (1958)? Of toch met de camera, montageschaar en verfkwast de ballenbak in zoals in Zazie dans le métro?
Broodfilmers
Bij gebrek aan een duidelijke compositietekening is het heel handig dat een gezaghebbend instituut als het Filmmuseum een retrospectief houdt. Malle’s oeuvre, zo’n dertig speelfilms en documentaires, wordt dan ingeperkt tot een handzaam elftal: behalve het met Jacques Cousteau gemaakte onderwateressay Le monde du silence (1956) en de imposante, zelden vertoonde India-documentaire L’Inde fantôme (1969) omvat het programma onder meer het oorlogsdrama Au revoir, les enfants (1987, misschien wel Malle’s meest geliefde film) en de nooit verblekende film noir Ascenseur pour l’échafaud. Die film was ook al te zien in het retrospectief dat het Filmmuseum vorig jaar organiseerde rond actrice en Malle-muze Jeanne Moreau. Terwijl Zazie dans le métro in een gloednieuwe kopie landelijk wordt uitgebracht, kon van Le souffle au coeur geen vertoonbare versie worden gevonden. In dat opzicht wordt het retrospectief aangevuld door de uitstekend verzorgde Louis Malle-dvd-reeks van Video/FilmExpress: de Nederlandse dvd van Le souffle au coeur verschijnt later dit jaar.
Ook die dvd-collectie zal met negen releases bij lange na niet compleet zijn. En zo krijgt elke selectie bij iemand als Malle iets illusoirs. Je denkt met negen of elf films een aardig overzicht te hebben, maar is dat wel zo?
Misschien werkt het bij Malle niet anders, of nog extremer dan bij de Hollywoodbroodfilmers die door hem en zijn collega’s van de Nouvelle Vague begin jaren zestig opeens tot auteur werden verklaard. Pas wanneer je een flinke stapel films van Michael Curtiz of Howard Hawks had gezien, van hun musicals tot gangsterspektakels, van zeerovers tot nazi’s in Casablanca, van stoere cowboys tot Cary Grant in ‘drag’, zag je hoe ze vol respect voor de droomfabriek standaardformules naar hun eigen stijl wisten om te buigen — hoe ze puur entertainment samen lieten vallen met een volstrekt eigen stijl en thematiek. Misschien kun je bij Malle zo’n perspectief pas krijgen nadat je alles, werkelijk alles hebt gezien — wanneer de afstand tot zijn oeuvre maximaal is.
Verstijfd-sjiek
Of je vraagt het gewoon aan Malle zelf.
‘Wanneer de mensen vragen wat al die verschillende films gemeen hebben, kan ik alleen maar antwoorden: ‘Mij”. Aldus Malle in het coda van Philip French’ prachtige interviewboek Malle on Malle (Faber and Faber, 1993). ‘Mijn films hebben altijd veel te maken met waar ik op dat moment in mijn leven stond.’ In een gesprek met de VPRO Gids in 1996 zei Malle dat hij regelmatig probeerde om zich van bepaalde problemen te ontdoen door er films over te maken. ‘Door Le feu follet te maken ben ik van het zelfmoordprobleem afgekomen.’ Als kind uit een steenrijk katholiek nest filmde hij het verstijfd-sjieke milieu van bijvoorbeeld Le feu follet en Damage als ervaringsdeskundige, terwijl de haat-liefdeverhouding met datzelfde milieu hem telkens weer naar minder florissante habitats dreef — tot en met de maffiawereld van Atlantic City USA (1980). De incestueuze moeder-zoonverhouding uit Le souffle au coeur en de intense, door de Gestapo verwoeste kostschoolvriendschap met een ondergedoken joods jongetje uit Au revoir, les enfants zijn eveneens uit Malle’s leven gegrepen — hoewel beide films die relaties vooral laten zien zoals Malle achteraf wou dat ze waren geweest.
En zo worden in veel films van Malle (jeugd)herinneringen met verbeeldingskracht aangelengd tot grootse, onvergetelijke scènes. Zo’n scène — bijvoorbeeld die uit Au revoir, les enfants waar de jongens uit hun dak gaan met een boogie woogie à quattre mains — is dan misschien wel de beste introductie tot Malle’s werk. En verder kun je zijn persoonlijkheid gespiegeld zien in elke stijlbreuk, in elk van film tot film terugkerend motief, in de wereld die ligt tussen Miles Davis en Satie, zwart-wit en zuurstokbont, fictie en documentaire, film en toneel: een persoonlijkheid zo veelzijdig en ontvankelijk dat geen enkele film of filmtaal hem helemaal kan dekken.
Daarmee bestaat zo’n oeuvre in feite uit elkaar overlappende deelverzamelingen; sommige daarvan omvatten meerdere films en sommige slechts een enkele. Als Filmmuseum, dvd-distributeur of toeschouwer kies je de verzameling die het beste bij je past. Heb je een hekel aan surrealistische uitspattingen, dan laat je Zazie dans le métro en/of Black moon buiten beschouwing, ten faveure van de beheerste dramatiek van Le feu follet, Les amants en Lacombe Lucien. Het bijna tastbare naturalisme van de Tjechov-verfilming Vanya on 42nd Street, het frivole van Viva Maria, het warme humanisme van Milou en mai (1990) en My dinner with André (1981): het oeuvre van Louis Malle is maar net wat je er zelf van maakt.
Kevin Toma
Louis Malle retrospectief, 18 mei-14 juni.