Het Nederlandse filmklimaat

Gesmoord aan de poort

In zijn oproep ‘Groter denken, kleiner doen’ constateert Herman Tjeenk Willink dat de open verhoudingen en gemeenschappelijke waarden van onze samenleving op het spel staan wanneer het land wordt gerund als een bedrijf. Die analyse past naadloos op wat er in de Nederlandse filmwereld speelt. Over het belang van het publieke debat en beleidsmakers die luisteren naar de professionals op de werkvloer.

Wat is er loos dat Nederlandse filmmakers zo weinig trots zijn op hun eigen werk? Ruim driekwart beoordeelt de culturele betekenis ervan als onvoldoende tot gemiddeld. 87 procent vindt de kwaliteit van Nederlandse speelfilms doorgaans middelmaat. 83,5 procent zegt dat de Nederlandse film internationaal gezien achterloopt. Dat waren dit voorjaar de belangrijkste uitkomsten van de Filmmakersenquête die door bijna driehonderd regisseurs, scenaristen en acteurs anoniem werd ingevuld.

Aangezien vergelijkbare geluiden al jaren in de wandelgangen van de Nederlandse filmwereld circuleren, was dat geen grote verrassing. Dat de eensgezindheid over het gebrek aan kwaliteit zo groot kon worden, heeft te maken met de heersende bestuurscultuur in de filmsector, waar in de vele reacties in de enquête naar werd verwezen. Kort samengevat: er heerst een angstcultuur waar niets mag mislukken, te veel partijen bemoeien zich met de inhoud, makers worden te weinig serieus genomen, er wordt inbreuk gemaakt op artistieke autonomie, er is te weinig visie op de wereld, formatdenken leidt tot eenheidsworst en ruimte voor debat over het filmklimaat – binnen het werkveld, de politiek en de opleidingen – ontbreekt.

Hoe dit komt, beschrijft Herman Tjeenk Willink met zoveel woorden in zijn essay ‘Groter denken, kleiner doen’. Daarin zet de minister van staat en voormalige vicevoorzitter van de Raad van State uiteen hoe onze democratische rechtstaat door markt- en rendementsdenken is uitgehold. Hij doelt niet alleen op politiek Den Haag of de rechterlijke macht, maar op het functioneren van de samenleving in het algemeen, op alle instellingen die in de geest van die orde openbare taken vervullen. Zoals in de filmsector het Filmfonds (dat subsidie verdeelt) en de Filmacademie (dat onderwijs verzorgt).

Omdat beiden monopolisten zijn op hun specifieke terrein en doordat bestuurders als managers zijn gaan opereren, is er een kloof ontstaan tussen degenen die het beleid maken en de (film)professionals waar dat beleid betrekking op heeft. De opkomst van het denken in termen van winst, verlies, consumptie en output, liet waarden als kwaliteit, rechtvaardigheid, transparantie, vertrouwen en solidariteit naar de achtergrond verdwijnen. Behoudzucht en op safe spelen met succesformules kwamen boven vernieuwing en het nemen van risico te staan; men werd trendvolgend in plaats van trendsettend. Filmmakers kwamen als uitvoerders in dienst te staan van een geformatteerd systeem in plaats van dat het systeem autonome filmmakers de vrijheid verschaft hun werk naar eigen inzicht optimaal vorm te geven.

Kritische geest
Hoe Tjeenk Willinks analyse in de filmsector resoneert, bleek bijvoorbeeld bij de totstandkoming van het nieuwe curriculum voor de Filmacademie dat eind 2020 in gebruik moet worden genomen. De insteek van het traject dat aan de basis lag van het nieuwe curriculum, was bedrijfsmatig, gericht op het in kaart brengen van technische ontwikkelingen, nieuwe businessmodellen en trends waarop zou moeten worden ingespeeld. Tegen die beperkte insteek had de sector van meet af aan basale bezwaren: zij was te sterk gericht op techniek en vluchtige trends, terwijl films maken in essentie draait om creativiteit en universele, tijdloze persoonlijke capaciteiten. Uit de feedback van de sector op het eerste discussiestuk kwam als rode draad naar voren dat ‘onder invloed van allerlei factoren – omroepen, fondsen, de academies zelf – er een gebrek is aan creatieve autonomie, authenticiteit, avontuur en sterke universele thema’s in Nederlandse films.’ De remedie: meer inhoudelijke scholing (filosofie, sociologie en psychologie werden genoemd) en veel meer ruimte voor experiment.

Tot een bijstelling van de vooraf bepaalde koers leidde dat echter niet: de fundamentele problematiek kwam als voetnoot terecht bij de ‘trend’ dat film zich in steeds meer verschillende verschijningsvormen manifesteert. In de visie die als basis voor het onderwijsprofiel moest dienen werd er dan ook niet meer over gerept. Wel werd er gekozen voor een competentiebenadering: gericht op het kunnen zoeken naar informatie en het bevorderen van wenselijk, prestatiegericht gedrag in plaats van het opdoen van inhoudelijke bagage en de ontwikkeling van een persoonlijke visie en kritische geest.

Voedselketen
Toen op 28 juni 2018 in Eye het concept-opleidingsprofiel ter bekrachtiging werd voorgelegd aan vertegenwoordigers van filmmakersorganisaties, stond daarin al vermeld dat het die dag was gevalideerd. Niettemin stond die bijeenkomst in het teken van de makers, die opnieuw vroegen om het opleiden van autonome verhalenvertellers centraal te stellen: kritische geesten met een eigen stem, aangezien het voorgelegde profiel daar te weinig op inzette. Het mocht niet baten: “Studenten zijn ook nu al mondig en eigenwijs”, was het weerwoord. Het voorstel uit de zaal om vormende vakken als sociologie of filosofie in de huidige bacheloropleiding op te nemen werd als onrealiseerbaar naar het masterjaar verwezen. Een pleidooi om de door het leenstelsel veroorzaakte problematische verjonging van studenten tegen te gaan (die bij binnenkomst nog niet genoeg geestelijke bagage hebben), stuitte op de vaststelling dat daar geen oor voor te vinden zou zijn in Den Haag. Hoewel er met de mond werd beleden dat er oog en oor was voor de opgeworpen fundamentele problematiek, werden alle verzoeken daar iets elementairs over in het profiel op te nemen bij hoog en bij laag van de hand gewezen onder verwijzing naar de beperkingen van de huidige onderwijspraktijk.

In plaats van dat het haperende systeem ter discussie werd gesteld, bevestigde het enkel dat systeem zelf. Om op Tjeenk Willink terug te komen: als degenen die bovenaan de voedselketen staan, dicteren wat er moet gebeuren, geldt het recht van de sterkste. Dat leidt tot een verlies van vertrouwen, betrokkenheid en verantwoordelijkheidszin bij makers (‘er wordt toch niet geluisterd’), die de legitimiteit van de instituties (Filmfonds, Filmacademie) in kwestie zelf inmiddels ondergraaft.

Kneedbaar
Hoewel de kwaliteit van de Filmacademie in de recente Filmmakersenquête niet ter discussie werd gesteld, werd daarover door de deelnemende makers wel spontaan de noodklok geluid. Een greep uit de reacties, die nog eens onderstrepen wat hun vertegenwoordigers steeds aankaarten: ‘Mensen die van de NFTVA komen, worden nu al tijdens de opleiding aan de leiband van de omroepen gelegd’, schreef een scenarist. Regisseurs zijn ‘vakmatig adequaat’, maar hebben ‘geen eigen signatuur’ en ‘te weinig engagement.’ Een acteur stelt: ‘Aan de typisch Nederlandse polderfilm is te zien dat de meeste regisseurs meer uitvoerders zijn dan autonome makers. Helaas!’ Een scenarist/regisseur vertelt dat hij op de Filmacademie met de nodige confrontaties te maken kreeg omdat hij er een ‘andere mening’ op na durfde te houden, wat ‘niet gezellig’ werd gevonden: ‘De poldercultuur vereist eigenlijk makers die conflictvermijdend te werk willen gaan en graag compromissen sluiten, ook al zou het bekend verondersteld mogen worden dat dit niet per se tot betere films leidt. Er is nauwelijks wrijving en dus ontbreekt de inspiratie.’ Op de Filmacademie ligt de nadruk vanaf dag één erg op presteren, aldus een regisseur: ‘Dit is dodelijk voor de creativiteit.’ Anderen wijzen op het belang van ‘breder oriënteren’; ‘dieper, langer nadenken’; ‘meer verdiepen’ en ‘alles in dienst stellen van het verhaal, de inhoud’. De kritische geest zou al worden gesmoord aan de poort, waar de selectie van studenten meer gericht zou zijn op kneedbare samenwerkers dan op ‘eigenwijze’, authentieke denkers.

De tactieken die de bestuurscultuur zich eigen heeft gemaakt om niet naar deze noodkreten te hoeven luisteren, zijn inmiddels wel bekend. Van het ontkennen van de problematiek tot zeggen dat er al aan wordt gewerkt of dat makers het beleid niet begrijpen. Gesprekken erover uit de weg gaan of gebruiken voor het uitventen van het eigen gelijk. Onvolledige informatie verschaffen over belangrijke besluitvormingsprocedures. Criticasters als relschoppers wegzetten. Verdeel- en heerstactieken toepassen in plaats van vertrouwen en verbondenheid te creëren. Nieuwe regels scheppen in plaats van ruimte. Pappen en nathouden. ‘Omdat veranderingen altijd worden gezocht binnen de bestaande kaders, zijn veranderingen cosmetisch en nooit structureel,’ aldus een filmmaker in de enquête.

Losmaken van onderwerping
Hoeveel groter moet de onvrede nog worden voor de bestuurders er oor voor hebben? Wachten ze tot over vijf jaar in de volgende enquête honderd procent van de makers het probleem onderschrijft? Tot ze gele hesjes dragen of aan de poorten van de Bastille staan te rammelen? Wat verhindert filmmakers en beleidsmakers om samen op te trekken bij het bedenken van maatregelen die zoden aan de dijk zetten om zowel de Filmacademie als de Nederlandse film nu eindelijk eens van hun brave imago af te helpen? Zolang fundamentele problemen niet worden geadresseerd en eigenzinnige makers niet door het systeem worden (h)erkend, zal het resultaat onverminderd braaf blijven.

Dat 92 procent van de Filmacademie-studenten binnen vijf jaar een baan vindt is een op output gericht resultaat dat in het oude rendementsdenken past. Zolang die makers de facto te weinig te vertellen hebben, hebben beroepsgroep en samenleving daar weinig aan. Hetzelfde geldt voor de bedragen die omgaan in de filmsector: die missen doel als filmmakers zelf ontevreden zijn over het resultaat.
Acteur Gijs Scholten van Aschat citeerde ter inspiratie op het Filmmakerssymposium de Griekse dichter Konstantin Kavafis:

‘Wie zijn geest verlangt te sterken, moet zich losmaken van de eerbied en de onderwerping. Van de wetten zal hij sommige in ere houden, maar voor het merendeel zal hij én wetten, én gewoontes overtreden. En van de algemeen aanvaarde en niet bevredigende achtbaarheid maakt hij zich los. Van de genietingen zal hij veel leren. De vernietigende daad zal hij niet vrezen. Het halve huis moet worden neergehaald. Zo zal hij op rechte wijze zich
ontwikkelen tot inzicht.’


Karin Wolfs is filmjournalist en lid van ‘Filmmakersinitiatief 2018’, dat een debat wil aanzwengelen over de kwaliteit en culturele betekenis van de Nederlandse film.