Filmjournalist Peter van Bueren

'Ik geloof niet dat ik iets essentieels heb gemist'

  • Datum 30-03-2016
  • Auteur
  • Categorieēn Artikel
  • Thema
  • Deel dit artikel

Illustratie Menah

Peter van Bueren (1942) is ernstig ziek en heeft waarschijnlijk niet lang meer te leven. De man die vijfentwintig jaar als film­journalist het filmgezicht van de Volkskrant was blikt terug. ‘Film is nooit mijn enige passie geweest.’

Door Jos van der Burg

Peter van Bueren wil best een interview geven, maar stelt per e-mail één voorwaarde: "Bij voorbaat: geen privédingen, interieurbeschrijving e.d." Hier dus geen beschrijving van het Amsterdamse huis waarin Van Bueren woont, welke boeken in de kast staan en ook niets over zijn privésituatie. Wie wil weten of hij getrouwd is, kinderen heeft, zal die informatie elders moeten zoeken. Van Bueren wil het over zijn werk hebben. Dat ook zijn leven was, want er stond bij hem geen muur tussen werk en leven. Leven was werken, werken was leven. Dat hij journalist wilde worden — niet per se filmjournalist — wist Van Bueren al op jonge leeftijd. Het was de reden dat hij na de middelbare school aan de UvA in Amsterdam politieke en sociale wetenschappen ging studeren. Het pakte goed uit. "Alle kranten hadden in die tijd een studentencorrespondent, die schreef over wat er speelde in de studentenwereld. Bij De Tijd, dat toen een landelijke krant was, zochten ze zo iemand en ik werd aangenomen. Dat was mijn eerste stap op mijn weg naar de journalistiek." Een paar jaar later, in 1963, belandde hij per toeval in de filmjournalistiek. "De filmredacteur van De Tijd had geen tijd om een persvoorstelling te bezoeken en vroeg of ik wilde gaan. En daarna nog eens en nog eens. Binnen de kortste keren schreef ik over film. Met film bezig zijn en journalist zijn klikte en dat is altijd zo gebleven."
Korzelig: "Je vraag of ik net zo goed een politieke journalist had kunnen worden, is te concreet. Ik wilde journalist worden. Kranten maken. Maar in de praktijk ontwikkelde zich iets waarin ik me prettig voelde en dat is zo gebleven." Na een conflict bij De Tijd in 1973 ("Ik dacht dat de eigenaar de krant wilde opdoeken") vroeg Volkskrant-filmredacteur Bob Bertina hem als zijn opvolger. Van Bueren kwam in de wachtkamer. "Bertina zou nog twee jaar blijven voor hij met pensioen zou gaan, maar het werden vier jaar. In die periode schreef ik over radio en televisie." In 1977 was het zover en tot 2002 was Van Bueren de filmredacteur van de Volkskrant. Hij had er langer willen blijven, maar de hoofdredactie wilde van hem af. "Men vond dat ik hermetisch schreef en wilde iemand met wat zij noemden een ‘open frisse blik’." Cynisch-ironisch: "Veel kennis is kennelijk niet altijd een reden om iemand te laten doorwerken." Op zijn achtenvijftigste was Van Bueren tegen zijn wil uitgeschreven. Een hard gelag? "Mijn leven veranderde niet. Natuurlijk: ik hoefde niet meer elke ochtend op de krant te zijn, maar ik bleef me met film bezighouden. Er kwam meer ruimte voor internationale festivals. Ik heb jarenlang minstens tien festivals bezocht."
Waarom hij niet is blijven doorschrijven, bijvoorbeeld in de vorm van een filmblog of in filmtijdschriften? "Ik was niet uit op het zoeken van werk. Schrijven vind ik leuk, maar er zijn zoveel meer dingen die ik leuk vind. Ik heb wel eens een gesprek gehad met jullie hoofdredacteur Dana Linssen over het schrijven van festivalverslagen in de Filmkrant, maar ineens was er geen ruimte en geld meer, terwijl ik het misschien wel voor niets had willen doen." Half-grappend: "Ik ga ervan uit dat deze opmerking geschrapt zal worden."

Glamourshow
In veertig jaar filmkritiek heeft Van Bueren veel zien veranderen. "Het conflict bij de Volkskrant ging erover dat de hoofdredactie meer aandacht voor Hollywoodfilms en filmsterren wilde. Bij mijn laatste bezoek aan het filmfestival vroeg de chef kunst waarom wij Nicole Kidman niet in de krant hadden, terwijl in De Telegraaf en het Algemeen Dagblad een foto van haar in een gondel op de voorpagina stond. Dat Kidman niets te melden had en ik daarom aandacht besteedde aan een uitstekende Koreaanse film, vond men onbegrijpelijk. Maar als film onderdeel is van de kunstredactie, vind ik het logisch dat film als kunst prioriteit heeft. Iedereen vindt het normaal dat je over filmsterren schrijft, maar een muziekredacteur schrijft toch ook geen paginagrote artikelen over Nick & Simon, terwijl die ontzettend populair zijn."
Van Bueren noemt het ‘verbijsterend’ dat de Volkskrant en NRC Handelsblad in de aanloop naar de Oscaruitreiking dit jaar acht pagina’s aan de Oscars besteedden. "Acht pagina’s in kranten die geacht worden serieus te zijn! De Oscar is een Amerikaans filmgebeuren. Niet meer dan een glamourshow. Met acht pagina’s zijn de verhoudingen zoek." Alvast vooruitlopend op een mogelijke tegenwerping: "Het is niet waar dat ik niet van Hollywood houd. Ik schreef over alle nieuwe films, waarvan tachtig procent shit is. Als je alleen over goede films schrijft, beperk je jezelf in journalistieke zin. Ik vind dat je over de hele breedte moet schrijven. Schrijf je ook op dat ik het jou kwalijk neem dat je alleen naar negatieve zaken vraagt? Publiceer je dat ik jou op je negatieve benadering wijs?"

Kroketten
Op de vraag of hij na bijna veertig jaar filmkritiek nog door films verrast kon worden, schiet Van Bueren uit zijn slof. "Dat is een hele rare vraag. Waarom vraag je dat? Dat is toch niet interessant! Vraag je zoiets ook aan de groenteboer die de hele dag aardappels staat te verkopen? Ik vind het een absurd belachelijke vraag, zeker voor iemand die zelf al lang over film schrijft." Ook over zijn filmvoorkeuren laat Van Bueren zich niet uit, omdat ze volgens hem geen rol speelden in zijn werk. Docerend: "Kijk, ik houd van vies, vet en smerig eten. Kroketten en gehaktballen. Maar als ik over gastronomie zou schrijven, zou dat geen rol spelen, omdat ik volgens bepaalde normen over eten zou schrijven. Zo is het ook met film. Als filmjournalist moet je de waarde van films vaststellen. Wat ik privé lekker vindt, is niet aan de orde. Filmkritiek is veel objectiever dan de willekeurige subjectieve mening van een willekeurig iemand." Allemaal goed en wel, maar, om in de gastronomie-analogie te blijven, het ene gerecht zal Van Bueren toch beter smaken dan het andere? "In principe niet. Ik vind kijken naar bewegende beelden lekker. Zoals ik kranten lezen een lekkere bezigheid vind. En naar voetballen kijken, ook als het een slechte wedstrijd is. Hetzelfde geldt voor film. In zijn algemeenheid maakt het me niet uit wat ik zie, maar zodra ik ga omschrijven wat een film voorstelt, wordt het een ander proces."

Oogopener
Dat het Van Bueren wel degelijk uitmaakt wat hij ziet, blijkt uit zijn analogie tussen talkshows en films. "Als interessante mensen intelligente dingen zeggen in talkshows prikkelt mij dat. Dat is met film precies hetzelfde." Welke filmmakers hem met intelligente en interessante beelden geprikkeld hebben? "Godard was belangrijk, omdat hij mij leerde wat cinema is, uit welke elementen film is opgebouwd. Tarkovski opende mij de ogen voor de visuele kracht van film. Kieslowski was belangrijk in het denken over de relatie tussen documentaire en fictie. Antonioni maakte me bewust van filmtaal, de manier waarop je iets vertelt. Een oogopener was ook de Iraanse cinema in de jaren negentig. Iraanse film laten zien hoe je via sprookjes en poëzie op een indirecte manier veel kan vertellen over een maatschappij. En dan zijn er natuurlijk de Aziatische regisseurs. Hou Hsiao-hsien trekt je zijn films in met persoonlijke verhalen, die tegelijk veel zeggen over de geschiedenis van Taiwan. Vergeleken met hem is Tsai Ming-liang meer een vormgever. In het algemeen is de Aziatische cinema veel visueler dan de westerse, maar in wezen gaan films altijd over hetzelfde, ongeacht waar ze vandaan komen. Ze gaan altijd over hoe mensen zich tot elkaar verhouden en hoe de maatschappij ingericht moet worden."

Psychiater
Van Bueren is geen aanhanger van de opvatting dat filmjournalisten beter geen vrienden kunnen hebben in de filmwereld. "Als je mensen ontmoet en met ze praat kan dat leiden tot vriendschap. Wim Verstappen was een vriend van me. En ook Jos Stelling is een vriend, hoewel ik die in mijn eerste recensie over een film van hem naar de psychiater verwees. Ik kon het aan het einde van hun leven ook goed vinden met Bert Haanstra en Fons Rademakers. Maar er zijn ook jonge filmmakers met wie ik bevriend ben, onder wie David Verbeek en Fow Pyng Hu."
Lastig? "Zodra je gaat oordelen over een film mag vriendschap geen rol spelen. Dat kan wel eens ten koste van een vriendschap gaan. Wim Verstappen zegde de vriendschap op na mijn negatieve recensie van Het verboden bacchanaal. Het heeft tien jaar geduurd, toen pakten we de draad van onze vriendschap weer op."
Naast Nederlandse heeft Van Bueren vrienden onder buitenlandse regisseurs. "Lee Chang-dong is een hele goede vriend. Ook Tsai Ming-liang, Hong Sang-soo, Jia Zhangke, Pablo Trapero en Lisandro Alonso zijn persoonlijke vrienden. In Europa kon ik het de laatste jaren van zijn leven goed vinden met Antonioni. En na zijn dood met zijn weduwe. Met Kieslowski ontstond uiteindelijk ook iets van een vriendschap, al ben ik nooit in Polen geweest. En met de Hongaar Janos Szasz ben ik bevriend, al hebben we de laatste jaren alleen nog een paar keer per jaar contact via Facebook. Hou Hsiao-hsien is een persoonlijke vriend, die toen hij laatst in Nederland was afscheid van me is komen nemen. Ook zijn er Koreanen komen overvliegen om me op te zoeken."

John Wayne
Van Bueren denkt dat hij in zijn vele schrijvende jaren weinig ontwikkelingen en interessante filmmakers heeft gemist. "Er zijn wel eens talentvolle debutanten geweest die de belofte bij een volgende film niet inlosten, zodat ik mijn enthousiasme moest temperen. Ook heb ik wel eens een film gemist. In Cannes viel ik ooit na tien minuten bij een film in slaap die later de Gouden Palm won. Over die film kon ik dus niet schrijven. Maar ik geloof niet dat ik iets essentieels gemist heb, al zijn er wel films geweest die ik later herwaardeerde, zoals The Deer Hunter [Michael Cimino’s met vijf Oscars bekroonde Vietnamdrama uit 1977, JvdB]. Ik heb die film scherper dan behoorde kritisch behandeld als een typisch lekker Amerikaanse Hollywoodfilm. Ook de films met John Wayne heb ik moeten herwaarderen. De acteur was het symbool van rechts Amerika, dus werd iedere film met hem scherper beoordeeld dan die an sich verdiende. Natuurlijk: modieusheid speelde een rol, maar ik denk dat ik al snel vond dat een uiterst rechtse film een goede film kan zijn en dat niet elke links geëngageerde film automatisch een goede film is."
"Film is onderdeel van de hele maatschappij, zo heb ik het altijd gezien en behandeld. Ik ben geen filmcriticus maar filmjournalist geweest. Filmkritiek was onderdeel van mijn werk, maar de basis was gretigheid en alertheid voor nieuwe ontwikkelingen. Film is nooit mijn enige passie geweest." Na een stilte. "Mijn mazzel was dat ik in de jaren zestig student was, in Amsterdam woonde en over film kon gaan schrijven."