Alice
De wetmatigheden van een droom
Alice
Het is niet de eerste keer dat Alice in Wonderland van Lewis Carroll een filmversie heeft gekregen. Meer dan tien keer werd dit bizarre sprookje uit de vorige eeuw als uitgangspunt genomen en de onderlinge verschillen zijn aanzienlijk. De nieuwste en waarschijnlijk niet de laatste versie komt uit Tsjechoslowakije, Zwitserland en Engeland. Een duidelijke co-produktie dus, die in de Paasvakantie zijn Nederlandse première zal beleven.
Jan Švankmajer heeft jaren aan zijn film moeten en kunnen werken en met zijn Alice (Něco z Alenky) is een lang gekoesterde wens in vervulling gegaan. Eindelijk is op volstrekt originele wijze de essentie van Carroll verbeeld. In een fascinerende mengeling van live-action en poppenanimatie heeft de slechts in kleine kring beroemde Tsjech een eerbetoon geleverd dat even vreemd, eng, grappig en bizar is als het boek.
Carroll schreef zijn twee Alice-boeken Alice in Wonderland (1865) en Through the Looking-Glass (1871) voor de jonge Alice Lidell. De avonturen van zijn Alice, die na een val in een konijnenhol zeer merkwaardige dieren en mensen ontmoet, zaten vol met taalgrappen, verwijzingen en onlogische wendingen, maar was bovenal Carroll’s visie op hoe een kind de wereld van volwassenen ervaart. Wreed, vol dreiging en met een maar moeilijk te achterhalen logica.
De bescheiden wiskundige en fotograaf zal maar nauwelijks vermoed hebben wat hij daarmee losmaakte. Alleen de Bijbel werd vaker vertaald en het aantal studies over zijn werk is – zeker na Freud, toen bijna elke psycholoog zich op de Traum-deutung stortte – gigantisch. Met een opvallende vijandigheid werden hele biografieën vervormd tot wat men wilde bewijzen en zelden zal iemand zich zo vaak in zijn graf hebben omgedraaid als Lewis Carroll.
Wat staat is uiteraard nog steeds zijn sprookje en Švankmajer heeft er een briljante en stekelige interpretatie tegenaan gezet. Startend met een opmerkelijke gelijkenis met de echte Alice en zich nog even aan de letter van het eerste boek houdend, brengt de maker ons op een rommelzolder waar een opgezet konijn zichzelf bevrijdt en in haast (“0 wee, o wee, ik kom vast te laat!”) in een lade verdwijnt. De nieuwsgierig geworden Alice ontdekt dat de la vol ligt met passers en driehoeken en daar is Švankmajer waar hij wezen wil. De initiatie-tocht die in het verschiet ligt, vangt aan met het symbool van de onbegrijpelijke grote-mensenwereld en blijft met die vondsten niet alleen dicht bij het personage van Carroll (wiskundige), maar zit daarmee tegelijk dichter op het boek dan welke filmversie ook.
Kiezelstenen
Wat volgt is een fascinerend hoogstandje animatie, vol intrigerende scènes. Alice’s zwemmen in haar eigen tranen met een kiezelstenen kokende muis in haar haar is gedeeltelijk wel en grotendeels niet aan het boek ontleend, maar de sfeer van deze horror-reis is daarmee juist getroffen.
Het vervreemdende effect probeert Švankmajer vooral door de telkens terugkerende extreme close-up van Alice te verkrijgen. Deze terzijdes rukken de toeschouwer uit het verhaal, doorbreken de fascinatie en vormen een te geforceerde constructie onder een verder boeiend verhaal.
Het groeien en verkleinen van Alice, het opgesloten zijn in een te klein huis, Mad Hatter en de iedereen onthoofdende kaarten-koningin: ze zitten er allemaal in en zijn even logisch als de gebeurtenissen in een droom. Volstrekt normaal wanneer je erin zit, maar vervreemdend na het genoteerd te hebben. Carroll heeft het ooit gepresteerd zo’n droom overtuigend op schrift te krijgen, Švankmajer evenaart dit op film.
Blijft over voor wie deze Alice nu eigenlijk bedoeld is. Simpel gesteld voor het kind in de volwassene dat nog droomt, nieuwsgierig is, fantasie heeft of zich wil laten verwonderen, maar zeker ook is de film ondanks alle bizarre en soms enge voorvallen voor jonge kinderen geschikt. De reacties op het filmfestival Berlijn 1988, waar de film in het hoofdprogramma liep, bewezen het eerste, het enthousiasme van de kinderen bij deze openingsfilm van het tweede Cinekid-festival het laatste.