Sound of Falling
Zo voelt fantoompijn
Sound of Falling
In fragmenten tussen herinnering, fantasie en filmbeschrijving in reflecteert Roosje van der Kamp op de fantoompijn uit Sound of Falling.
Hoe kan het, vraagt een meisje zich af in Mascha Schilinski’s Sound of Falling (In die Sonne schauen), dat ik precies weet hoe een deurklink smaakt, ook al heb ik hem nog nooit geproefd? Hoe kan het, vraagt een ander, dat ik weet hoe mijn tante is verdronken, ook al praat mijn moeder er nooit over? Vier generaties meisjes, van 1920 tot nu, worden achtervolgd door dingen die nog niet gebeurd zijn en voelen de pijn van dingen die ze zelf niet meegemaakt hebben.
Via het poëtische motief van fantoompijn ontvouwen zich de innerlijke werelden van deze meisjes: de pijn van een geamputeerd ledemaat, maar ook de pijn van wat ingebeeld, doorgegeven en meegevoeld is. In Sound of Falling spookt de toekomst. Causale verbanden worden losgetrokken en ondersteboven en achterstevoren aan elkaar vastgezet. Omdat de fragmenten vooral door associatie met elkaar verbonden zijn, zoals in een gedicht, nodigt de film uit tot een ander soort kritisch schrijven. Sound of Falling moet je niet omschrijven, maar oproepen, zoals je ook een geest oproept.
Stel je voor dat je je tong uitsteekt en deze tekst likt. Het papier heeft niet echt smaak, alleen textuur en weerstand. Het zuigt het vocht uit je mond, laat de tong droog en ruw achter. Eerst proef je een vlakke, aardse leegte, dan schuift de smaak van inkt naar voren: metaalachtig, licht zuur. De chemicaliën kleven aan je tong, je slikt uit reflex, maar je kan de nasmaak niet wegduwen. Hij blijft de hele dag hangen.
Misschien lees je dit wel op je telefoon of computer. Hoe zou een beeldscherm smaken? Een koud oppervlak dat glad wordt van het speeksel. Al snel proef je alleen nog maar je eigen mond. Soms een vleugje zout, gemengd met de textuur van dode huidcellen, stof en andere aangekoekte viezigheid. Je hebt ergens gelezen dat een gemiddeld beeldscherm vuiler is dan de gemiddelde toiletbril. Van dit feitje moest je grimassen, maar het heeft je schoonmaakgewoontes niet veranderd. Je huivert, want je hebt je net voorgesteld dat je een toiletbril likt.
In een film wordt iemands wijsvinger afgehakt en je krimpt ineen. Je eigen wijsvinger brandt en prikt. Met je ene hand grijp je de andere en knijpt – hard. In een andere film zie je een moordenaar achter een douchegordijn. Vanaf dan houd je je douchegordijn liever open.
Je favoriete serie eindigt en niets kan je meer bekoren. Het voelt alsof je iets dierbaars bent kwijtgeraakt. Diezelfde avond fiets je langs het huis van je ex. Jullie spreken elkaar al maanden niet meer. Voor haar deur sta je stil en kijk je omhoog. Het licht is aan. Door geelverlichte ramen kun je haar door haar huis zien bewegen. Ze zet een pan op tafel en werpt een terloopse blik naar beneden. Het is donker buiten, ze kan je niet zien, en toch voel je je betrapt. Met rode wangen race je naar huis.
Je zit aan tafel met je familie. Iedereen haalt herinneringen op. Je vertelt over die keer dat je oom tijdens het eten begon te jongleren. Je vader zegt dat je je dit onmogelijk kunt herinneren, omdat je er niet bij was. Je sputtert tegen. Je weet het toch zeker. Daar zat hij, op die stoel. De ballen waren roze.
In een fotoalbum vind je een foto van de avond uit je herinneringen. Kijk, precies zo: die stoel, roze ballen. Je vader ernaast. Waar sta jij eigenlijk? Je kijkt nog eens goed naar de foto. In potlood staat er een datum onder geschreven. Het is van het jaar voordat je geboren werd. Als je door de rest van het fotoalbum bladert, realiseer je je dat je geen herinneringen aan je jeugd hebt die niet vastgelegd zijn. Je vraagt je af wat je nog meer hebt verzonnen.
Met z’n vijven zijn jullie de boom op het schoolplein ingeklommen. Nu klauteren jullie er weer uit. Het is een spel. Wie als laatste beneden is, daar komt de duivel voor. Je gilt. Iedereen is zo snel. Alleen jij en je buurjongen zijn nog over. Hij hangt aan de onderste tak. Langzaam laat hij zichzelf zakken. Je bent bang voor de duivel, dus spring je zonder te denken naar beneden. Je enkel verzwikt onder je gewicht, maar je voelt het niet. Je bent hem voor. Dat is wat telt.
Anderhalf jaar later zit je, ingeklemd tussen je ouders, op een kerkbankje. De pastoor zegt dat God er een engel bij heeft gekregen. Iedereen huilt. Je hebt nog nooit zoveel mensen zo verdrietig gezien. Wat er precies met je buurjongen is gebeurd, weet niemand. Mensen fluisteren: hij werd gewoon niet meer wakker. Je wangen kleuren rood. Je wendt je blik af. Je durft zijn ouders niet aan te kijken. Je weet dat het jouw schuld is, maar je durft het niemand te vertellen.
Je bent vijf. Het is donker buiten. Je hoort al in bed te liggen, maar de volwassenen lijken je te zijn vergeten. Je zit op de bank en kijkt naar je moeder. Ze is druk in de weer. Haar favoriete programma is op tv en ze kijkt er af en toe naar terwijl ze je kleren strijkt, opvouwt en opbergt. Stoom hangt in wolkjes rond haar gezicht. De achtergrondgeluiden kalmeren je: het gesis van het strijkijzer, het gepraat op de buis, de regelmatige ademhaling van je moeder. Ze lacht om iets. Je begrijpt niet echt wat er zo grappig is, maar ze lacht en dat is genoeg.
Het tafereel wordt onderbroken door het scherpe geluid van de deurbel. Je moeder trekt wit weg. Je kunt haar hart aan de andere kant van de kamer voelen bonzen, en dus begint het jouwe ook te bonzen. Boem boem. Met trillende handen zet ze het strijkijzer neer. Boem boem. Ze loopt naar de deur. Boem boem. Je hoort de deur opengaan, en vrij snel weer sluiten. Boem boem. Als ze terugkomt lijkt de opluchting uit haar te stromen. “Belletje trek”, zegt ze. Ze heeft het meer tegen zichzelf dan tegen jou.
Eenmaal in bed vraag je je af waar ze aan dacht toen ze de deurbel hoorde. Twintig jaar later gaat je hart tekeer, elke keer dat je de deurbel hoort. Je kunt niet precies zeggen waarom.
Ze zeggen dat je “brand” moet roepen als je in gevaar bent, niet “help”. Ze zeggen dat je voorzichtig moet zijn als je alleen naar huis fietst. Ze zeggen dat je je locatie moet delen met iemand die je vertrouwt. Niemand heeft je verteld dat je de sleutels zo in je vuist moet houden. Later kom je erachter dat alle vrouwen hun sleutels zo vasthouden als ze in hun eentje naar huis lopen.
Als je twaalf bent en naar school fietst, beginnen voorbijgaande auto’s naar je te toeteren. Logischerwijs denk je dat er iets mis is met je fiets. Je stapt af, inspecteert de banden, de bagagedrager, de ketting, maar er is niets mee aan de hand. Je stapt weer op. De auto’s blijven toeteren. Als je beseft waarom, kleuren je wangen rood. Je voelt je dom.
Het toeteren blijft, maar je fietst vanaf dan stug door. Je doet alsof je niets merkt. Als je de volgende keer met een paar jongens uit de klas naar huis fietst, vragen zij zich hardop af waarom de auto’s toch toeteren. Je houdt het voor jezelf. Jaren later kijk je op televisie naar een discussie naar aanleiding van MeToo. Iemand anders beschrijft jouw herinnering tot in detail.
Sound of Falling draait vanaf 5 maart 2026 in de bioscoop.