Meer dan babi pangang

Verbroederend en oer-Hollands gerecht

Meer dan babi pangang

In een intrigerende egodocumentaire verweeft filmmaker Julie Ng haar eigen familiegeschiedenis met de geschiedenis van het Chinees-Indische restaurant in Nederland.

Chinees-Indische restaurants verdwijnen met rasse schreden uit het Nederlandse straatbeeld. Er is een tekort aan Chinese koks, de nieuwe generatie Chinese Nederlanders ziet geen heil in een leven in de horeca en sushi verdringt andere Aziatische restaurantvormen van de markt.

In Meer dan babi pangang is te zien hoe ook Chun Yuen, de vader van filmmaker Julie Ng, op het punt staat om zijn etablissement in Rozenburg te sluiten: hij heeft geen opvolger. Ng realiseert zich dat met die sluiting ook een wezenlijk onderdeel van haar familiegeschiedenis verdwijnt. Ze besluit zich te verdiepen in haar familieverleden en de rol van Chinees-Indische restaurants in de Nederlandse gemeenschap.

De ouders van Ng kwamen in 1975 vanuit Hongkong naar Nederland en moesten zeven dagen per week “koken, serveren en schoonmaken”. Voordat ze in Rozenburg neerstreken, exploiteerden ze een restaurant in Sint-­Oedenrode. Ng, die werd geboren in 1979, herinnert zich die tijd nog levendig. In de voice-over vertelt ze op poëtische wijze hoe haar speelgoed bestond uit “grote stukken kroepoek en kleine zakjes sambal”. Terwijl andere kinderen buiten speelden, was Ng servetten aan het vouwen. Ze vertelt hoe ze zich in die tijd schaamde voor haar Chinese afkomst. In de loop van de film blijkt dat gevoel gerelateerd aan de soms weerzinwekkende wijze waarop Chinese Nederlanders sinds het begin van de vorige eeuw zijn en worden behandeld.

Zo duikt Ng onder meer in het verleden van het Rotterdamse Katendrecht, waar Chinese matrozen in 1929 ten onrechte de schuld krijgen van de economische malheur. Ook Ng heeft vandaag de dag nog te maken met racisme. Maar de documentaire toont ook de positieve impact die de Chinees-Indische restaurants hebben op de Nederlandse gemeenschapszin: in veel dorpen fungeert de Chinees als een vervangend dorpshuis. En, zoals Ng in de film stelt: “Het gerecht is oer-Hollands.”

Ng lardeert de film ook met de nodige humor. Als Foodtrend-analist Anneke Amerlaan voor de camera uitlegt dat Nederlanders traditiegetrouw houden van “zompig eten” en we nu eenmaal van een “sausje houden”, denk je dat ze neerkijkt op babi pangang. Niets is minder waar: iedereen houdt van babi pangang, het is het verbroederende culinaire item op het menu van het Chinees-Indische restaurant. Meer dan babi pangang doet in die zin zijn naam eer aan: er schuilt een groter verhaal achter het gerecht van gebakken varkensnek in zoetzure saus. Dat Ng dat verhaal vat in de vorm van een egodocumentaire geeft de film een mooie intieme dimensie en leidt ertoe dat deze geschiedenis een stuk tastbaarder wordt.