Cinema onder vuur: Amerika
Over de staat van de Amerikaanse cinema
Illustratie (uitsnede): Layla Gijsen
Filmkrant verzamelde het afgelopen jaar een serie internationale bijdragen over de politieke en economische krachten die de vrijheid van filmmakers bedreigen. Vadim Rizov over de bakermat van de cinema: Hollywood in tijden van AI slop.
Het is een nek-aan-nek-race tussen Frankrijk en de Verenigde Staten waar de ‘eerste film ter wereld’ is gemaakt. Maar Amerika heeft zonder twijfel de standaard gezet, zowel wat betreft de verhaalstructuren van de speelfilm als voor de industriële methodes voor de vervaardiging ervan.
De eerste Hollywood-regisseurs, een bont gezelschap van baantjesfladderaars, kwamen veelal zonder specifiek doel en zonder uitgesproken creatieve bedoelingen naar Californië. Later werden filmmakers zich meer bewust van hun ambacht; de spreekwoordelijke “genialiteit van het systeem” viel soms nog wel te rijmen met de onafhankelijke ambities van de makers die binnen dat systeem werkten, maar er ontstond ook behoefte aan andere uitlaatkleppen. Producenten en acteurs vormden hun eigen productiemaatschappijen om ‘onafhankelijke’ films te maken in de Hollywood-mal, terwijl esthetisch onafhankelijke en experimentele filmmakers vooral buiten de industrie opleefden.
Sommige van die makers kwamen alsnog in het systeem terecht toen een verstard Hollywood merkte dat het het contact met zijn publiek was kwijtgeraakt en zich, al was het maar uit financieel zelfbehoud, gedwongen zag iets nieuws te proberen – met het ‘New Hollywood’ van de late jaren zestig en jaren zeventig tot gevolg. Toen dat in de jaren tachtig terzijde werd geschoven door de genadeloze commercialisering van de studio’s, bood de opkomst van thuismedia een belangrijke nieuwe inkomstenbron voor onafhankelijke filmmakers.
Maar van een term die aanvankelijk duidde op artistieke intenties en een eigen financieringsstructuur werd ‘independent’ tot een genre met zijn eigen, net zo beknellende formules, de onverslijtbare franchises van de jaren tachtig werden vanaf de jaren nul op steroïden gezet in de superheldenfilm, met de terugtrekking van private equity verdween de financiële bodem onder onafhankelijke filmproductie en na de covid-pandemie stortte het hele bioscoopmodel in. Dus wat nu?
Doodskist
Een van de nagels aan de doodskist van de bioscoopmarkt is ongetwijfeld het verdwijnen van het standaard interval van negentig dagen tussen een bioscooprelease en de beschikbaarheid op thuismedia en kabelzenders. Tijdens de pandemie werd dat teruggebracht naar zeventien dagen; het geduld van het publiek, dat toch al terugschrok van de stijgende toegangsprijzen en verschralende bioscoopervaring, werd amper meer op de proef gesteld als men liever wachtte om de film thuis te kijken.
Dat gebeurde overigens niet alleen in de VS – zie bijvoorbeeld ook de recente verslaggeving rond het instorten van de Zuid-Koreaanse filmindustrie. “Door de enorme voorsprong die Zuid-Korea heeft op gebied van online technologie zou dit punt sowieso komen, ook zonder de versnelling die de pandemie teweegbracht”, stelde academicus Russell Edwards in september 2025 in Screen Daily. “De Koreaanse filmindustrie is de kanarie in de koolmijn, een vooruitwijzing naar wat ook in andere markten zal gebeuren, en nu al gebeurt, wanneer ook daar het publiek online verkiest boven de fysieke bioscoop.”
Naast het instorten van de bioscoopmarkt is ook de opkomst van AI als instrument voor kostenbesparing een bedreiging. Het gebruik is al wijdverbreid, hoewel men het zelden toegeeft, deels vanwege de heftige reacties wanneer het wel wordt vermeld. Een van de gevolgen is dat commercials zelden nog met een volledige crew worden gedraaid, waardoor het werk dat filmcrews tussen speelfilms door in leven hield is opgedroogd.
Neerwaarts
Als deze neerwaartse lijnen doorzetten, is het doemscenario dat er geen bioscopen overblijven om films in te kijken en er ook geen gespecialiseerde vakmensen meer zijn om ze op enigszins ambachtelijk niveau te maken. Wat dan rest is goedkope rommel die van de ene server naar de andere wordt geschoven.
De tijd dat Los Angeles de standaard setting was voor filmopnamen ligt ver achter ons; inmiddels staan voor een wereldwijd publiek de meer homogene buitenwijken van Atlanta model voor wat Amerika is (toegegeven, dat is ook accurater). Daar bestaat wel nog een levendig ecosysteem van crewleden, dat zowel de producten van het Marvel Cinematic Universe dient als kleinere producties mogelijk maakt.
Maar terwijl in Hollywood een kaalslag gaande is, worden de daar vastgelegde ‘best practices’ in andere landen wel nog gewaardeerd. Een van de meer lucratieve vormen van bijbeunen voor filmmakers is op dit moment het regisseren van ‘verticale drama’s’ voor Chinese streamingdiensten. Amerikaanse filmmakers worden ingehuurd, deels omdat de bedrijven daar ervan overtuigd zijn dat de knowhow over hoe je een productie het beste kunt optuigen op hun eigen industrie zal overslaan. De filmmakers zetten hun naam niet op dit werk, maar ontvangen wel een salaris waar ze zes maanden van kunnen leven en het bedrijf krijgt een streambaar product: iedereen blij.
Jon Voight
Gezien hoe kleinburgerlijk de Amerikaanse cinema vaak is, blind voor artistieke ontwikkelingen in de rest van de wereld, is het ergens passend dat er nauwelijks internationale coproducties zijn tussen de VS en andere landen – een weinig subtiele metafoor voor de weigering te leren van de buitenwereld. In tegenstelling tot de meeste andere landen hebben de VS geen nationaal filmfonds, wat coproducties belemmert. Het stimuleren van coproducties is een van de punten die aan de orde komt in het reddingsplan voor de Amerikaanse film dat Jon Voight in elkaar flanste voor Donald Trump en het spreekt boekdelen over de infrastructurele chaos dat een idee uit die hoek niet eens het ergste is.
Voor documentairemakers blijft er intussen weinig meer over dan portretten van beroemdheden en truecrime; als ik vandaag de dag op een documentaire stuit over een afgelegen stukje Amerika, dan is die vrijwel altijd van buitenlandse makelij. Niets mis met het perspectief van een buitenstaander, maar dat de Amerikaanse cultuur niet meer op zichzelf reflecteert kan niet goed zijn.
Al jaren dromen cinefielen van een toekomst waarin het publiek al die reboots van bestaand materiaal en de eindeloze superheldenvervolgen zat zou zijn; een toekomst waarin een nieuw New Hollywood zou verrijzen uit de financiële krater. Maar ik zie dat punt niet meer komen. De kijker is afgericht om een zeer beperkt aanbod te accepteren, heeft dat met enthousiasme omarmd, en nu zitten we vast in die feedback loop. Het feit dat er af en toe een film flopt verandert daar niets aan, zolang het merendeel maar genoeg binnenharkt.
Voorgoed voorbij
Het idee dat je een substantiële som geld zou besteden aan een project dat geen voorgebakken succes is, is de industrie inmiddels wezensvreemd. Zo wordt bij een film als Marty Supreme – een oorspronkelijk verhaal en een voelbaar dure film door zijn weelderige production design en kostuums, zijn filmsterren en hordes figuranten – het simpele bestaan ervan al gezien als opwindend, los van de vraag of de film goed is of niet. Dat juist die hoeveelheid figuranten door zakenman Kevin O’Leary, een ronduit weerzinwekkend mens met een veelbesproken bijrol in de film, als een onnodige kostenpost ter discussie werd gesteld (hij is een voorvechter van AI-figuranten), zegt alles over waar we nu staan.
Waar en hoe kan nog goed werk worden gemaakt? Een van mijn meer esoterische theorieën is dat na verloop van tijd elke ooit populaire kunstvorm een niche-aangelegenheid wordt. Klassieke muziek, de roman en jazz zijn qua cultureel cachet een schaduw van wat ze ooit waren, maar voor wie er oog voor heeft, wordt er binnen die werelden nog altijd boeiend werk gemaakt. Hoe somber het ook klinkt, waarschijnlijk zullen we moeten accepteren dat het tijdperk van de Amerikaanse film als veelvormig massacultureel fenomeen voorgoed voorbij is.
Er wacht een vruchtbare toekomst voor die paar vasthoudende termieten wier ‘wil tot kunst’ zich niet laat intomen door financiële beperkingen – makkelijker gezegd dan gedaan, maar zij zullen er altijd zijn, ze volharden ook waar ze niet kunnen floreren. Het is geheel in lijn met het einde van het Amerikaanse Rijk als de veronderstelde standaard; een vernederd land (dat moment nadert met rasse schreden) zal ook in zijn cultuur de marginaliteit moeten omarmen.
Vadim Rizov is een filmcriticus en journalist uit New York. Hij was van april 2014 tot januari 2025 verbonden aan het tijdschrift Filmmaker.
Vertaling Joost Broeren-Huitenga