Filmfestival Cannes 2018 (4)
Naar de hel in drie dimensies
Long Day’s Journey Into Night
De kwaliteit van de competitie van het Filmfestival Cannes was hoog dit jaar. Maar hoe zat het met de vernieuwingen van vorm en taal? Was er iets nieuws te vinden? Of is het medium uitgegroeid?
Door Joost Broeren-Huitenga
Het was een goed jaar. Dat gevoel overheerste na elf dagen Cannes, een editie met een slome start maar een sterke eindsprint. Toch was visuele vernieuwing zeldzaam in een competitie die voor een groot deel leek te bestaan uit makers die hun stijl al gevonden hadden. Ash Is Purest White van de Chinese regisseur Jia Zhang-ke (A Touch of Sin) was wat dat betreft tekenend, een film die voelt als een ‘best of’ van de regisseur. In beide betekenissen van het woord: elementen uit eerdere films kwamen samen en vormden zich tot één van de beste films uit zijn carrière.
Iets vergelijkbaars geldt voor Pool Pawel Pawlikowski, die met Cold War een sprankelende en waardige opvolger voor Ida (2013) afleverde. En voor Matteo Garrone, die met Dogman terugkeerde naar het hardvochtige straatleven en de kleine criminaliteit die ook centraal stonden in zijn gevierde Gomorra (2008). En voor Nuri Bilge Ceylan, die een Gouden Palm won met Winter Sleep (2014) wiens ruim drie uur lange The Wild Pear Tree als allerlaatste competitiefilm werd vertoond en daardoor de schijnwerpers miste. En al helemaal voor Jean-Luc Godard, die inmiddels sowieso een filmgenre op zichzelf is geworden en wiens Le livre d’image dan ook met niets anders te vergelijken was dan met het eerdere werk van Godard zelf.
3D-spektakel
Niet dat er geen goede films te vinden waren — integendeel dus — net als films die opvielen vanwege hun vormen. Gaspar Noé bijvoorbeeld, die met Climax in het bijprogramma Quinzaine des Réalisateurs weer lekker hallucinant uitpakte. Of Pájaros de verano (Birds of Passage) van Ciro Guerra en Cristina Gallego, die op magische wijze de gestileerde antropologische blik van hun eerdere Embrace of the Serpent vermengen met een hedendaags misdaaddrama rond drugshandel.
Maar waren dat nieuwe vormen? Vorig jaar was Alejandro González Iñárritu’s virtual reality-ervaring Carne y arena hét spraakmakende project op de festivalboulevard. Maar dit jaar werden de VR-brillen teruggestuurd naar de kelder van het festivalpaleis, waar op de filmmarkt van het festival de hopelijk opzienbarende projecten voor de komende jaren werden verhandeld.
Wel werden die andere filmbrillen nog even tevoorschijn getrokken, de 3D-modellen, en dat leverde meteen de meest overdonderende visuele ervaring van het festival op. Dan heb ik het niet over Solo: A Star Wars Story want het ruimtewesternspektakel werd in Cannes gewoon plat in 2D vertoond. De brillen kwam al eerder op de dag tevoorschijn voor Long Day’s Journey Into Night van de jonge Chinese filmmaker Bi Gan, vertoond in het programma Un Certain Régard. Verbazing alom bij de aanwezige kijkers, van wie de meesten naar de zaal waren gekomen vanwege Bi’s veelbelovende debuut Kaili Blues (2015). Die dromerige, elliptische artfilm, waarvan de hypnotiserende slotakte in één onafgebroken take werd gedraaid, deed bepaald niet vermoeden dat de volgende stap voor deze maker een groots actiespektakel zou worden.
Dat is Long Day’s Journey Into Night ook niet. Bi vergroot de verwarring over die uitgedeelde brillen door de film te openen met een titelkaart die de kijker geruststelt: ‘Dit is geen 3D-film. Zet de bril pas op wanneer de personages dat ook doen.’ De film blijkt uiteindelijk een meer volwassen, visueel rijkere en thematisch complexere variant op wat Bi ook in Kaili Blues al deed. Opnieuw staat een man centraal die na jaren weg te zijn geweest, terugkeert naar de afgelegen provinciestad Kaili. Opnieuw stuurt een simpele zoektocht het verhaal, dat zich vervolgens in allerhande intrigerende, elliptische bochten wringt. En opnieuw dragen de wonderschone beelden de sfeer.
Waar Bi in Kaili Blues steunde op groezelige digitale beelden, laat hij hier (met maar liefst drie directors of photography) zien wat hij voor elkaar krijgt met meer budget. Zijn door oude film noirs geïnspireerde beelden vermengen diepe schaduwen met sprankelende kleuren. Dan moet het hoogtepunt nog komen. Opnieuw eindigt Bi met een onafgebroken ‘one-taker’ (zie ook hier) op veel ambitieuzer schaal dan in Kaili Blues — en ook nog eens in 3D. Een klein uur duurt het shot, dat begint in een mijnschacht en van daaruit eindeloos rondzwerft in en om een nachtelijk dorpje, met een afdaling per kabelbaan als technisch hoogstandje. Een overdonderende afdaling naar het vagevuur.
Rechtsisten
Overdonderend op een heel andere manier was Bi’s landgenoot Wang Bing, die met het ruim acht uur durende Dead Souls (vertoond buiten competitie) de langste film van het festival presenteerde. Die werd slechts één keer vertoond en maar weinig van de aanwezige filmprofessionals offerden een hele festivaldag op om hem te zien.
Vakblad Variety vergeleek het nieuwe werk van beeldend kunstenaar Wang met Claude Lanzmanns Shoah (1985), zowel vanwege zijn lengte als zijn inhoud. In Dead Souls betoont Wang zich opnieuw een scherpzinnig chroniqueur van de geschiedenis van zijn land. Hij laat schaarse overlevenden aan het woord van de ‘heropvoedingskampen’ die het Communistische regime vanaf de jaren vijftig in China instelde. De verhalen zijn schokkend en pijnlijk: mensen werden al om de kleinste vergrijpen bestempeld als "rechtsist" en verbannen naar kampen als Jiabiangou in de Gobi-woestijn, in naam om te worden gerehabiliteerd maar in de praktijk om er uit te hongeren. Wang filmde zijn interviews, die vaak in hun geheel worden getoond, voornamelijk tussen 2005 en 2008; veel van zijn hoofdpersonen zijn inmiddels overleden. Een belangrijk en indrukwekkend werk, al is de vraag of het filmfestival van Cannes de beste plek is om ermee geconfronteerd te worden.
Zie verdere Cannes-impressies hier, hier en hier | Op filmkrant.nl is de dagelijkse verslaggeving van Ronald Rovers en Joost Broeren uit Cannes te lezen.