The Wall
Zand tussen knarsende tanden
Met The Wall maakte Doug Liman een nihilistische oorlogsthriller, waarin de oorlog in Irak is teruggebracht tot een paar vierkante meter zand achter een wankel stenen muurtje.
Door Joost Broeren-Huitenga
Het is waarschijnlijk een unicum: het einde van Doug Limans The Wall is in de uiteindelijke film duisterder en ambiguer dan het in het oorspronkelijke scenario was. Meestal gaat dat in Hollywood andersom: het zwartgallige einde dat de scenarist had bedacht, wordt onder druk van studio’s en testpubliek ingewisseld voor het onvermijdelijke happy end waar de filmmakers zich zo tegen hadden verzet. Maar Liman vond juist dat scenarist Dwain Worrell, die in 2014 een scenariowedstrijd van online gigant Amazon won met zijn eerste filmscript, niet ver genoeg was gegaan. De regisseur zette het lot van soldaten Isaacs (Aaron Taylor-Johnson) en Matthews (John Cena) nog wat zwaarder aan, nadat de twee door een Irakese sluipschutter in een hoek worden gedreven.
Het is tekenend voor de film, die op meerdere manieren een buitenbeentje is. Het is een film over de oorlog in Irak, gemaakt in een tijd dat de grote studio’s zich ver van elk politiek onderwerp houden. Een oorlogsfilm die niet steunt op massaal wapengekletter, maar waarin slechts een handvol schoten wordt gelost. Een uitgebeende thriller die slechts drie personages opvoert, zonder dat een enorme filmster als Tom Cruise of Will Smith de publiciteitskar kan trekken. Kortom: The Wall is volgens de huidige regels van de grote Amerikaanse studio’s onverkoopbaar.
De oude regels
Op zoek naar een oorzaak kunnen we waarschijnlijk twee kanten op wijzen. Ten eerste naar regisseur Doug Liman. Zijn spionagefilm The Bourne Identity was in 2002 de aftrap van een onverwachte franchise, en had een verrassend scherp oog voor de dagelijkse realiteit van het leven undercover. Met Fair Game (2010) maakte hij een spannende biopic over een CIA-agente die door de Amerikaanse overheid wordt opgejaagd. En met scifi-thriller Edge of Tomorrow (2014) bracht hij in een tijd waarin stripverfilmingen en sequels de actiefilm bepalen een uiterst oorspronkelijke, futuristische oorlogsfilm. Binnen de machinerie van Hollywood heeft Liman altijd ingestaan voor spektakelfilms met een onverwachte complexiteit.
Ten tweede telt waarschijnlijk mee dat The Wall een productie is van Amazon Studios, de mediatak van de online winkelgigant en streamingdienst, en dus welbeschouwd misschien helemaal geen onderdeel is van ‘Hollywood’. Al met zijn eerste productie, Spike Lee’s opruiende Chi-Raq (2015) over het bendegeweld in Chicago, toonde Amazon dat het niet bang was voor controversiële onderwerpen en artistieke filmmakers.
Waar op het filmfestival van Cannes een flinke heisa ontstond over de strategieën van streaming-concurrent Netflix (zie ook het interview met Bong Joon-ho), lijkt Amazon zich relatief geruisloos in het heuvellandschap rond Los Angeles te hebben genesteld. Misschien komt het omdat de jonge studio iets meer volgens de oude regels speelt. In tegenstelling tot Netflix brengt Amazon haar films ‘gewoon’ uit in de bioscoop. Zo gooiden de Amazon-producties Manchester by the Sea (Kenneth Lonergan) en Paterson (Jim Jarmusch) bijvoorbeeld hoge ogen bij de afgelopen Oscar-uitreiking, zonder een onvertogen woord over hun herkomst.
Oliepijp
The Wall is misschien wel de meest kleinschalige oorlogsfilm ooit. Eén locatie en drie personages, waarvan er één niet eens in beeld komt: dat zijn in feite alle ingrediënten waarmee Liman zijn sobere thriller opbouwt. Een schril contrast met het bombast, de massale troepenbewegingen en het wapengekletter waarvan het genre normaal gesproken vergeven is.
In de opening van de film zien we hoe soldaten Isaacs en Matthews die ene locatie in de Irakese woestijn van een afstand in de gaten houden. Het kale en dorre landschap wordt doorkruist door een half-afgebouwde oliepijp. Het is 2007, president Bush heeft de overwinning uitgeroepen, en civiele bouwbedrijven werken aan de wederopbouw van het land. Maar de oorlog is nog lang niet voorbij, bleek op deze bouwplaats, waar een groep ingenieurs vakkundig werd omgebracht.
Isaacs en Matthews moeten het gebied veiligstellen en de oorzaak achterhalen, maar voor ze daar aan toe komen worden ze zelf door een sluipschutter onder vuur genomen. Al snel ligt Matthews voor dood op de grond, en heeft de in zijn knie geschoten Isaacs zich verschanst achter een wankel muurtje. Die losjes gestapelde berg stenen is het enige dat nog tussen hem en een wisse dood in staat. Wanneer de Irakese sluipschutter vervolgens via Isaacs’ oortje een gesprek met de soldaat aanknoopt, begint een kat-en-muisspel op de vierkante centimeter.
Als oorlogsfilms kleinschaliger worden, is dat al snel om een politiek punt te maken — een aanklacht tegen die oorlog. Maar ook daarin is The Wall niet echt geïnteresseerd. Politiek sijpelt hooguit op de achtergrond de film in, alleen zichtbaar voor de goede verstaander. Bijvoorbeeld in de ironie van de openingstitels, waarin simpelweg gesteld wordt dat president Bush de overwinning heeft uitgeroepen. Of in het feit dat al deze doden vallen om een olieleiding aan te leggen, en niet omdat ze een school of een ziekenhuis aan het bouwen zijn. En in het besef dat noch de Amerikaanse soldaten, noch de ’terrorist’ die hen onder vuur neemt, iets te winnen heeft in deze oorlog.
Knerpende stenen
In de kern doet The Wall in de verte denken aan John Boormans Tweede Wereldoorlogfilm Hell in the Pacific uit 1968. Daarin stranden een Amerikaanse gevechtspiloot en een Japanse marineofficier op een klein atol in de Stille Oceaan. Maar Hell in the Pacific is uiteindelijk humanistisch en optimistisch: om te overleven leren deze soldaten om samen te werken.
In The Wall overheerst daarentegen nihilisme. Want oorlog ís nihilistisch. Dat is wat de film er inwrijft: de nutteloosheid, de doodsangst. Dat doet Liman met een subjectieve cameravoering, vastgeplakt aan de minimale bewegingen van acteur Aaron Taylor-Johnson, die het grootste deel van de film in zijn eentje draagt. Hij doet het nog sterker met het rauwe, rafelige geluidsontwerp van de film. De keuze om geen muziek te gebruiken (nog zoiets dat in Hollywood nooit gebeurt) zet die effecten nog sterker aan. Knerpend langs elkaar schuivende stenen. Knarsende tanden in op elkaar geklemde kaken. Druppels bloed in zand dat al rood doorlopen is. Die details, die ervaring, dat is waar The Wall uiteindelijk om draait.