“Het idee van uitgaan is aan het veranderen”
Pien Houthoff (foto Jack van Heugten)
Bijna geruisloos trad Pien Houthoff in april aan als directeur-bestuurder van LUX in Nijmegen. Het grootste arthouse-theater van Nederland heeft nu iemand aan het roer die met een ‘niet lullen maar poetsen’-mentaliteit Nijmegen nog beter op de kaart wil zetten als filmstad, nationaal en internationaal. Tijd voor een gesprek.
Een half jaar geleden vond er een wisseling van de wacht plaats bij LUX. Pepijn Kuyper verhuisde naar Lanteren/Venster in Rotterdam en werd als directeur vervangen door Pien Houthoff. Houthoff komt uit de eigen gelederen. Zij begon in 2008 bij LUX als manager film en werd later als programmamanager ook verantwoordelijk voor onder meer debat, podium en educatie. Voordat ze naar Nijmegen kwam, werkte ze negen jaar als programmeur van het Nederlands Film Festival. Naar eigen zeggen wil ze na vier directeurswissels in minder dan een decennium rust brengen bij LUX. Maar dat is een te bescheiden typering van haar ambities.
Waar gaat LUX zich onder jouw leiding op richten? "We zijn intensief bezig met filmeducatie en mediageletterdheid. Sinds drie jaar hebben we een educatieve afdeling en die groeit voortdurend. Wij kregen ook vragen uit de regio, of we niet alleen voor de stad Nijmegen een rol willen spelen op dit vlak maar voor een groter gebied. Naar aanleiding van die vraag hebben we een nationaal plan ontwikkeld voor de regionale inbedding voor filmeducatie. Dat ligt nu bij de Raad voor Cultuur ter beoordeling.
Maar filmeducatie is slechts één onderdeel van talentontwikkeling in brede zin. Dat doen we op verschillende manieren. Zo zijn we in september gestart met een opleiding voor jonge programmeurs: LUX lab. Vijftien man doen er aan mee en er is nu al vraag naar een volgende editie. Het hele idee van uitgaan is aan het veranderen, het gaat steeds meer over beleving en dat vergt een andere manier van programmeren. Op filmgebied ontwikkelen we bijvoorbeeld interdisciplinaire programma’s, met debatten en andere evenementen rondom vertoningen."
En waar houd je je nog meer mee bezig? "Zoals elk theater in Nederland: met publieksverjonging. Als studentenstad heeft Nijmegen een relatief jonge populatie. De gemiddelde leeftijd van ons publiek ligt wat hoger. Maar je moet altijd blijven bouwen aan de bezoekers van morgen. We doen dat door te werken met ambassadeurs uit de doelgroep, meer activiteiten in het café te organiseren zoals bandjes en quizzen, en natuurlijk door meer social media in te zetten."
Je stond tien jaar geleden aan de wieg van Go Short, het festival voor korte films, en drie jaar geleden werd InScience gelanceerd, het festival over film en wetenschap. Hoe belangrijk zijn die festivals voor het Nederlandse filmlandschap en voor LUX in het bijzonder? "Met dit soort festivals kunnen wij ons onderscheiden. We trekken er ook een andere groep bezoekers mee dan het gebruikelijk LUX-publiek. En het heeft iets ongelooflijk bruisends. Het scheelt natuurlijk dat wij niet alleen maar faciliterend zijn maar echt betrokken.
Ook op nationaal niveau voegen we iets toe met deze festivals. Toen we begonnen met Go Short zei iedereen: dat is al eerder geprobeerd en altijd mislukt. Maar inmiddels vieren we het tienjarig lustrum en is Go Short het enige Nederlandse festival dat geldt als Oscar Qualifying Festival: de films die bij ons draaien staan automatisch op de longlist voor de Oscars."
Toen Netflix en de andere VOD-diensten een paar jaar geleden aan hun opmars begonnen, bestond er de angst dat ze mensen zouden wegtrekken uit het filmtheater. Hoe kijk je daar nu tegenaan? "De online-markt heeft nauwelijks effect op theaterbezoek. Ik denk zelfs dat het stimulerend werkt. De beleving blijft belangrijk en die heb nu eenmaal niet thuis op de bank. Wat ik wel zie is dat scholieren misschien niet het verschil kennen tussen filmtheaters en bioscopen."
Is dat erg dan? "Er is een trend dat iedereen naar het middensegment trekt. De commerciële bioscopen programmeren steeds meer cross-over films en arthousetheaters draaien ook commerciële titels. We vissen steeds meer in dezelfde vijver. Daarbij komt dat de commerciëlen heel hard aan het bouwen zijn en daardoor een steeds grotere concurrent worden voor de kleine theaters. Dat is heel jammer aangezien Nederland een filmtheaterklimaat kent dat uniek is in de wereld. Daar moeten we hard voor vechten."
Voer je dat gevecht ook in Nijmegen? "Twee jaar geleden zette CineMec een filiaal aan de rand van de stad neer. Twee oude bioscopen van Vue gaan verdwijnen en daar komt één nieuwe voor in de plaats. Op zich is dat goed want Nijmegen liep qua bioscoopaanbod achter bij de rest van het land. Maar die multiplexen moeten niet te groot worden. Als je tien of elf zalen hebt ga je onherroepelijk ook films uit het arthousesegment programmeren. Ik hoop dat Vue dat niet gaat doen. Dat zou de balans in de stad verstoren en zeker ook impact hebben op LUX."
Kan LUX daar zelf iets tegen ondernemen? "De beleving bij ons is anders dan in een bioscoop. En dat zijn we constant aan het versterken, vooral door te investeren in randprogrammering. CineMec draait soms documentaires die ook wij op het programma hebben maar wij doen het net iets anders, hebben er een Q&A bij of een lezing."
Wat is de grootste uitdaging van de komende jaren voor LUX en voor Nederlandse filmtheaters in het algemeen? "We hebben met z’n allen best veel belangrijke doelen. Filmeducatie is er daar bijvoorbeeld een van. Maar het schort vaak aan samenwerking. We zien elkaar nog te vaak als concurrenten. Dat is niet zo vreemd als je bedenkt dat al die theaters al lang aan het knokken zijn voor hun eigen overleven. Maar nu is het moment gekomen om samen op te trekken."
Edo Dijksterhuis