Berlinale 2012

Wat telt, de films of de markt?

  • Datum 01-03-2012
  • Auteur
  • Deel dit artikel

Miguel Gomez neemt de Alfred Bauer Prijs voor vernieuwende cinema in ontvangst. Op Twitter al omgedoopt tot ‘de belangrijkste prijs van de Berlinale’ (foto Andreas Teich)

Ondanks een avontuurlijk hoofdprogramma lag de programmering van de Berlinale onder vuur. De Gouden Beer voor Caesar Must Die van de Italiaanse veteranen Paolo en Vittorio Taviani werd alom als een compromis gezien. Een symptoom van het dictaat van de markt en de sales agents.

Hoe belangrijk zijn filmfestivals eigenlijk nog als het erom gaat wat wij later in het jaar in de bioscopen te zien krijgen? Misschien is het alleen maar een mythe, maar oudere filmcritici willen nog weleens vertellen hoe als journalisten vermomde distributeurs bij de aan de wereldpremières voorafgaande persvoorstellingen naar binnen slopen om nog voor de eindcredits hun slag te slaan als de vibe in de zaal goed genoeg was. Tegenwoordig is het een stuk cynischer.
Festivals met een markt, zoals Berlijn en Cannes, duren allang niet meer de volle tien dagen dat er films worden vertoond. Ze duren zolang als de markt duurt en zolang de trade papers als Variety, Screen International en Hollywood Reporter advertenties kunnen verkopen om hun recensies en nieuwtjes te kunnen publiceren. Dat wil meestal zeggen tot een paar dagen na het eerste weekend. Het is vergelijkbaar met het Filmfestival Rotterdam. Als daar de Cinemart is afgelopen, is het ook opeens een dooie boel in de Doelen.
Om te ondervangen dat het rondreizende handelscircus films die laat in het festival geprogrammeerd staan moet missen, worden er in het eerste weekend door de diverse sales agents allerlei privéscreenings georganiseerd. Dat wil zeggen voor zover films niet al voor het festival op grond van een trailer, een synopsis en een fotomapje zijn aangekocht. Zo kan het dus gebeuren dat, zoals dit jaar in Berlijn, de Nederlandse pers braaf achter interviews met de regisseurs van brave of matige films als openingsfilm Les adieux à la reine (de historische revisie van Marie Antoinette als lesbische koningin), IRA-spionagedrama Shadow Dancer, Dardennes-kloon Sister (L’enfant en haut) of het Deense hofintrige A Royal Affair aanliep, terwijl het er natuurlijk eigenlijk om gaat om een lans te breken voor die films die zich niet meteen als onderdeel van een kwartetspel inwisselen laten. Dus, om mijn vraag te beantwoorden: filmfestivals worden steeds meer uitstalramen voor gekochte waar en steeds minder plekken waar een consistente en nieuwsgierige visie op de filmkunst van dat moment wordt gepresenteerd.

Beeldtaal
Ondanks al het traditionele gemopper had de Berlinale dit jaar een tamelijk avontuurlijk hoofdprogramma. Het was ongelijksoortig als altijd, met pretentieuze Amerikaanse nepkomedies als Jayne Mansfield’s Car van Billy Bob Thornton, tergend traag Duits drama als Was bleibt, of de mislukte poging om een Spaanse genrefilm te selecteren (Dictado). Maar dat zijn de titels om te vergeten. Want wat een feest was het vervolgens om Christian Petzold met zijn zeer terecht met een Zilveren Beer voor Beste Regie bekroonde Barbara een van zijn beste films te zien afleveren, die een sentimentele Stasi-film als Das Leben der Anderen voorgoed overbodig maakt. Of om het festivalhoogtepunt te zien, het in zwart-wit gedraaide, melodramatische tweeluik Tabu over de fatale liefde die kolonialisme heet van Portugees Miguel Gomez (die de Alfred Bauer Prijs voor vernieuwende cinema kreeg). Om in de liefdevolle en grappige, maar niet minder wrange tweede film van Indonesiër Edwin Postcards from the Zoo te ontdekken dat hij de weerbarstige stijl van zijn debuut Blind Pig who Wants to Fly een beetje heeft gepolijst, maar dat hij niet minder kritisch op de Indonesische samenleving is geworden. En om eindeloos te kunnen discussiëren over Bence Fliegaufs op ware gebeurtenissen gebaseerde Just the Wind, een afstandelijke reconstructie van de moord op een Hongaarse zigeunerfamilie. Dit zijn de films die de Nederlandse filmliefhebber verdient. Films die zich misschien niet meteen veroveren laten, maar sterke verhalen vertellen in een persoonlijke en opwindende beeldtaal.

De gebroeders Taviani met hun Gouden Beer (foto Richard Hübner)

Kritiek
Het lijkt erop dat directeur Dieter Koslick bij het verlengen van zijn termijn de vele kritiek die er de afgelopen jaren op de competitie is gekomen serieus heeft genomen. Afgelopen najaar organiseerde het Verband der deutschen Filmkritik een symposium over de Berlinale, waarvan de resultaten tijdens het festival werden gepresenteerd. Reden voor de internationale pers om de discussie nieuw leven in te blazen. Ex-Edinburgh festivaldirecteur en criticus voor The Guardian en Indiewire Shane Danielsen was het meest uitgesproken in een tweegesprek met zijn collega Andrew Grant op indiewire.com. Hij vroeg zich af of het voor festivals, behalve dat van Cannes, überhaupt nog wel zin had om een competitie te hebben en noemde en passant de competitie van Karlovy Vary ‘een grap’ en de Rotterdamse Tigers ‘verschrikkelijk’ (‘appaling’). Daar ligt beslist een uitdaging voor de Nederlandse filmkritiek.
In Berlijn moet je als criticus of bezoeker steeds meer net als in Rotterdam zelf gaan grasduinen in het programma en dan is er nog genoeg te vinden. Maar de vraag blijft natuurlijk: als de programmeurs niet in staat zijn om bundeling, context en duiding te vinden, wie dan wel?

Sales agents
En dan is er nog een ander probleem dat zich grotendeels aan het oog van de gewone bioscoopbezoeker onttrekt. Een plek in de competitie betekent een stempel van goedkeuring. Maar de competitie van festivals wordt steeds meer bepaald door de banden die er over de jaren met sales agents zijn opgebouwd. Het is al lang geen geheim meer dat Celluloid Dreams hofleverancier is van Cannes en The Match Factory van Berlijn. Dat geeft het feit dat inventieve en innovatieve films als Tabu en Postcards from the Zoo in competitie meededen ook een wrange, willekeurige bijsmaak. Het is ook een lesje voor producenten en filmmakers: wie wil dat zijn film op een bepaald festival draait, kan maar beter de juiste sales agent uitzoeken.
Voor de Berlinale, dat de handschoen heeft opgepakt en wil nadenken over z’n plek en z’n toekomst in de internationale filmfestivalwereld, breken spannende tijden aan. Maar het is een les voor alle festivals ter wereld die zich met premières willen profileren. Niet de markt en de sales agents moeten de inhoud bepalen, maar visie en curatorschap.
Ook de samenstelling van de jury speelt daarin een rol. De Gouden Beer voor Caesar Must Die van de gebroeders Taviani, een enscenering van William Shakespeare’s toneelstuk in een Italiaanse gevangenis, is typisch een compromisgeval. Een film die niet de uitersten opzoekt van wat er met film mogelijk is, maar waar eigenlijk niemand wat op tegen kan hebben: degelijk, geëngageerd, strak in z’n zwart-witte vorm. We zullen er ongetwijfeld een hoop plezier aan beleven tegen de tijd dat hij in Nederland uitgaat. Maar ook Nederlandse distributeurs en filmtheaters moeten zich afvragen waardoor hun beleid en hun smaak worden bepaald. Door wat de markt dicteert of door hun eigen, misschien wel weerbarstige kijk op film. Geen populaire vraag in een tijd waarin de markt zegeviert, maar wel een noodzakelijke. Want met middelmaat jaag je zeker de filmliefhebbers uit de bioscopen weg.

Dana Linssen