World Wide Angle (NL) – 20 december 2012

  • Datum 20-12-2012
  • Auteur
  • Deel dit artikel

"De passies hebben te maken met vuur en ijs, licht en nacht, water en vermenging… Onze passies veranderen zichzelf en ons in aquatische, hemelse, zonne- of vulkanische fenomenen: verlicht of nachtelijk, pulserend of wegdrijvend." — Luce Irigaray, Femmes divines, 1984

Wie de laatste trends in de filosofie volgt is het vast en zeker al opgevallen dat er de laatste tijd veel te doen is over een nieuwe loot aan de stam, die zowel als Specu­latief Realisme, Nieuw Materialisme of (veel fantasierijker) OOO, voor Object (ge)Oriënteerde Ontologie, door het leven gaat. Zoals bij de meeste nieuwe stromingen zijn er inmiddels al verschillende sektes, accenten en intellectuele leiders te onderscheiden. Dat nieuwe denken kwam bovendien aanwaaien met een rebelse air waarmee het met allerlei denkrichtingen van daarvoor af wilde rekenen — ‘dat liedje kennen we nu wel!’ Maar zelfs als OOO voornamelijk een nieuwe mode is, dan is zijn voornaamste uitgangspunt toch iets om serieus te nemen.
OOO betwist de diep gewortelde opvatting dat ‘de mens de maat van alle dingen is’ — dat elke individuele mens de maat is voor zijn eigen bestaan, dat wat waar is voor de een dat voor de ander niet hoeft te zijn, en dat alles wat in de wereld bestaat door het menselijke bewustzijn wordt waargenomen, verwerkt en beoordeeld. OOO daarentegen vraagt zich af: wat nu als er vóór of voorbíj ons bewustzijn dingen overblijven? Zoals objecten, dieren, planten — de aarde zelf, of misschien zelfs de kosmos?
De schaal van deze nieuwe filosofie is immens, hij strekt zich uit van het grootste universum tot het kleinste, alleen microscopisch waarneembare deeltje; een scenario waarin de mensheid slechts één element is, een lichtflikkering van het bestaan.
Als cinefiel begroet ik OOO met een vertrouwd gevoel van herkenning. Hoe kan iemand van film houden en niet van zijn objecten, zijn niet-menselijke vluchtigheden, zijn energieën en intensiteiten die verder gaan dan de individuele subjectieve beleving? Is dat namelijk niet precies wat Jean Epstein, Siegfried Kracauer, Lesley Stern en Gilles Deleuze (een van de voorlopers van het Nieuwe Materialisme) en vele andere filmtheoretici ons al die jaren hebben proberen duidelijk te maken? En is de grote nobele strijd van de filmkritiek niet altijd geweest om de doorsnee bioscoopbezoeker te laten afkicken van zijn obsessieve verslaving aan al dat menselijke (en humanistische) spul zoals karakter-persoonlijkheden en verhalen die om mensen draaien?
De filmgeschiedenis heeft al vaak laten zien dat de mens slechts een element in het kader is. Slechts een poppetje te midden van ontelbare vormen, figuren en energetische schepsels. Recente films, zoals Patricio Guzmáns Nostalgia for the Light (2010) en Terrence Malicks The Tree of Life (2011) gaan daarover — maar de betekenis van de ‘Object (ge)Oriënteerde Ontologie’ in film werd me pas echt duidelijk toen ik recentelijk Jean Vigo’s geweldige L’Atalante (1934) weer zag.
Hoewel Vigo de afgelopen vijftig jaar plichtsgetrouw is beschreven als een verre verwant van het surrealisme en het anarchisme, zien we pas nu dat L’Atalante de vooruitziende triomf van de ‘Queer Cinema meets het Nieuwe Materialisme OOO’ vertegenwoordigt! Die gast Vigo had me toch een fantasie! Vooral in het onsterfelijke karakter van schippersknecht Jules (Michel Simon), maar eigenlijk op elk mogelijk niveau van het filmproces, bracht hij de ‘polymorfe perversiteit’ (een term uit het werk van de hierboven aangehaalde Luce Irigaray en haar eveneens door Freud en Lacan beïnvloedde tijdgenote en taalfilosofe Hélène Cixous) tot verrukkelijke hoogten.
Het is een film waarin dieren de plek van mensen innemen. Na de huwelijksnacht van Jean (Jean Dasté) en Juliette (Dita Parlo), krijgt een kat jonkies tussen hun lakens. En we zien ook hoe mensen in voorwerpen veranderen, zoals in het geval van de handen van een vriend die Jules bij wijze van souvenir in een pot op sterk water bewaart.
Vigo creëert rommelige, chaotische, barokke interieurs waar de personages zijn ingekaderd, in tweeën worden gesplitst en kleiner lijken door architectonische armaturen en bric-à-brac, mensen zijn in zijn film letterlijk slechts deel van het meubilair, in het bijzonder als het meubilair tot leven lijkt te komen, beweegt en vreemde geluiden maakt.
Het is een film waarin Jules, als hij wordt gevraagd om een foto van een naakte inheemse vrouw te identificeren, zegt: "Dat ben ik, toen ik jong was." En is er ooit — in de magnifieke, erotische, over elkaar gemonteerde montage van Jean en Juliette in hun afzonderlijke bedden, ver uit elkaar — een levendiger verwerkelijking geweest van deze "aquatische, hemelse, zonne- of vulkanische fenomenen" die precies de essentie zijn van de goddelijke passie die we cinema noemen?

Adrian Martin

Geschreven door