Cannes #8 Een schitterend kerkhof

  • Datum 19-05-2015
  • Auteur
  • Deel dit artikel

Cemetery of Splendour

Ik zal eerlijk zijn. Toen het beeld op zwart ging aan het eind van Apichatpong Weerasethakuls Cemetery of Splendour had ik niet het applaus verwacht dat volgde.

Vijf jaar na het meditatief-dromende Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives dat van Tim Burton c.s. dat jaar de Gouden Palm kreeg toegekend, komt de Thaise filmmaker Apichatpong Weerasethakul met een film die zelfs nog meer droomt, maar waarschijnlijk iets minder mediteert. Valt over te discussieren. Uncle Boonmee voelde — wat mij betreft — meer als een geheel. Viel meteen op z’n plek. Nu moest ik er echt even voor gaan zitten. Dat lukte een dag later bij de voorbereiding op het interview met de maker. Cemetery of Splendour is een verhaal over een ziekenhuiszaal vol soldaten die leiden aan een mysterieuze slaapziekte. Naast een van de bedden zit Jenjira, een oudere vrijwilligster. Ze waakt over een van de soldaten die geen familie heeft. De ruimte van het tijdelijke ziekenhuis vult zich met herinneringen en dromen waar we dankzij Jen en een bevriend medium in en uit bewegen. Cemetery of Splendour kan een droom zijn over wakker zijn, maar ook een realiteit die op een droom lijkt. Net zoals Descartes’ kunstmatige onderscheid tussen lichaam en geest in onze lichamen niet bestaat, zijn droom en realiteit voor Weerasethakul geen gescheiden maar in elkaar overlopende verschijnselen. In die slaapwaakdroomwerkelijkheid voert de film je langs bestaande en niet bestaande plekken, die Jen een dieper bewustzijn van haarzelf geven. Een heel persoonlijke film, zei Weerasethakul gisteren voor de screening. Onder meer omdat hij zijn eigen dromen gebruikte en filmde in de school en het ziekenhuis uit zijn jeugd.

Is het goed? Ja. Hoewel ik niet de fan zal worden die hier in een van de dagelijks gepubliceerde filmbladen achter de kop FABULEUX! schuilging. Cemetery of Splendour heeft een totaal eigen ritme — dat in de haast en een zekere vermoeidheid die hier na een week optreedt veel van de toeschouwer vraagt — en Weerasthekuls vermogen om een alternatieve realiteit op te roepen is ongeëvenaard. Maar nog steeds voelt de film fragmentarischer dan Uncle Boonmee. Dat kan ook aan mijn beleving van het eerste uur hebben gelegen, want toen was het even vechten tegen de slaap. Misschien ben ik tijdens de film wel in slaap gevallen en heb ik de tweede helft gedroomd. Zou zomaar kunnen.

Maar nog steeds is Mad Max Fury Road de beste filmdie hier te zien was. Misschien brengt Sorrentino’s Youth daar vanochtend verandering in, de film die wel of niet een companion piece zal blijken bij Jeb Gambardella’s geriatrische carnaval in La grande bellezza.

Ronald Rovers