Todd Haynes

Planeet Dylan

  • Datum 13-06-2016
  • Auteur
  • Deel dit artikel

Todd Haynes (foto Kris Dewitte)

Regisseur Todd Haynes stond tijdens het knusse Vlaamse Filmfestival van Gent de pers te woord over zijn nieuwe Bob Dylan-biopic i’m not there, een duizelingwekkende reis over planeet Dylan. Haynes verklaart de abstracties met de nodige porties filosofie. "Als je leeft voor het moment, zul je jezelf steeds tegenspreken."

Is het niet ironisch dat we nu een gesprek gaan hebben over een film die gaat over iemand die er genoeg van heeft zichzelf altijd te moeten verantwoorden voor zijn kunst? (Lachend) Jazeker. In sommige opzichten begrijp ik zijn terughoudendheid wel. Maar ik voel me niet aangesproken door Bob Dylans houding en de belangstelling voor mijn werk staat niet in verhouding tot de enorme druk die hij al decennia voelt. Ik beschouw hem als een rolmodel voor de moderne popartiest. Hij is iemand die de mogelijkheden van de singer/songwriter volledig benutte en zijn kunstvorm liet exploderen. Zoiets zal niet snel meer gebeuren. Hij voelde zich nooit boven zijn publiek verheven, noch deed hij water bij de wijn als het om zijn boodschap ging. Mensen volgden hem als een messias — dat was natuurlijk een trend van de jaren zestig, maar sindsdien gebeurt dat nog steeds.

Waarom wilde het publiek in de jaren zestig zo graag verlicht worden? Dit was de eerste naoorlogse generatie die niet bang was zich te uiten en geen angst had om voor communist uitgemaakt te worden, zoals in de jaren vijftig. De jongeren gooiden de conventies overboord, maar konden dat natuurlijk omdat ze veel economische zekerheden hadden. Iedereen was goed doorvoed en zeker genoeg om zich te roeren. De oude normen waren oppervlakkig en plat.

In velvet goldmine toont u de jaren zeventig als een decennium van hedonisme. Waren de sixties dan echt zoveel diepzinniger? De jaren zeventig, en dan vooral de glamrockfase, blijven me fascineren, omdat er destijds in de kunst zoveel vreemde ongelukken plaatsvonden. Maar de jaren zestig waren wonderbaarlijk. Ik denk dat we in de kunsten nog steeds bezig zijn erop te reageren. Het conservatieve tijdperk dat daarna in Amerika aanbrak — en die hopelijk nu eens echt overwaait — was een extreme reactie op de vrijheid van de jaren zestig. De sixties zaten boordevol ideeën en plannen en die zijn we voorlopig nog wel aan het uitpakken.

Ik mag aannemen dat u Dylan toestemming moest vragen om deze film te maken. Wat voor soort iemand is hij? Dat weet ik niet. Ik heb hem nooit ontmoet of gesproken. We kregen toestemming om alles waar zijn rechten op zitten te gebruiken voor de film. Dat is heel ongebruikelijk. Zijn manager Jeff Rosen, die Dylan met hand en tand beschermt, gaf ons volledige artistieke vrijheid nadat hij Dylan het script had laten lezen. Dylan bekeek een paar dvd’s van mijn films en vond het allemaal prima. Hij vroeg Rosen ‘stelt die Haynes iets voor?’, kreeg een bevestigend antwoord, en toen was alles in kannen en kruiken. Dat het zo makkelijk ging met zo’n notoir moeilijke man kan ik eigenlijk nog steeds niet geloven.

Het eerst in het oog springt het ongebruikelijke concept van i’m not there. Het lijkt op een kunstgreep om een bekend verhaal een nieuwe invalshoek te geven. Als je Dylans biografieën en zijn leven kent dan spreekt het gebruik van zeven verschillende personages helemaal voor zich. Er is niks geforceerd artistieks aan. Het is simpel: Dylan veranderde voortdurend. Om te beginnen toen hij ineens elektrisch versterkte muziek ging maken en zijn folkfans door het lint gingen. En is Dylan niet die alternatieve, hippe gast die ineens in de Here ging? Klopt. Toen flipten zijn liberale popfans. Als je mensen ontmoet die Dylan in de jaren zestig goed kenden, zullen ze je vertellen dat hij binnen vier maanden een compleet ander persoon kon worden.
Daarom speelt Cate Blanchett de Dylan van die periode. Niet om de vrouwelijke en emotionele kant van Dylan te tonen, maar om te benadrukken wat voor een hybride hij in de jaren zestig was: hij was man en vrouw tegelijk. Hij was voor doorsnee Amerikanen een bizar figuur, dus probeerde ik die ambivalentie met Blanchett te vangen. Dat doet ze heel subtiel, maar ook heel gemeen. Toen ik het script in 2000 bedacht, wist ik al dat ik een vrouw wilde casten voor dit gedeelte van Dylans leven. Het gaf me ook meer vrijheid om de valkuilen van de doorsnee biopic te omzeilen. Maar ik moest mezelf natuurlijk grenzen stellen. Allereerst: niet meer dan zeven verschillende versies van Dylan. Ten tweede moesten ze allemaal hun wortels in de jaren zestig hebben, ook al krijg je latere versies van hem te zien. Omdat hun essentie uit die periode voortkomt, kon ik de film in een echte jaren zestig-stijl maken. Alles wat Dylan doet is doordacht, waarna hij zichzelf helemaal geeft. Daarom moesten de personages heel specifiek zijn.
Ik ben veel gevraagd waarom ik een gekleurd jongetje, Marcus Carl Franklin, de rol van folkzanger Woody Guthrie laat spelen. Dat zit zo. Hij probeert op een absurde manier iemand anders te zijn dan hij is. Maar zijn flamboyante maniertjes zorgen ervoor dat het mensen niet uitmaakt dat hij niet Woody Guthrie is, dat ze niet hoeven te zeggen: ‘Man, je bent zwart’. Bob Dylan probeerde in zijn jeugd zo op Guthrie te lijken dat mensen eerst dachten dat hij gek was, maar ze werden uiteindelijk meegesleept omdat hij er zelf helemaal in op ging.

Dylan heeft zoveel mooie nummers en teksten gemaakt, hoe ga je daar mee om? Een Dylanfanaat wil veel nummers horen, een niet-fan zit op iets anders te wachten. De film bevat natuurlijk veel muziek, maar je moet alleen al uit technische overwegingen de film niet te vol plakken: dan krijg je problemen tijdens de aktenwisselingen. Maar ik snap wat je bedoelt. De muziek staat niet centraal zoals in een rockvideo. De nummers zijn er om het verhaal te vertellen, dus ik heb niet mijn favoriete nummers gekozen, maar harde keuzes gemaakt. Er zit bijvoorbeeld maar één gospelnummer in, terwijl hij meerdere briljante nummers in dat genre heeft afgeleverd.
Het is een film over een kunstenaar die voortdurend zoekt naar mogelijkheden om zichzelf te vernieuwen. En iedereen verwacht dat alles wat hij creëert oprecht is. Maar hij probeert iedereen duidelijk te maken dat creativiteit nooit volledig oprecht is, omdat het uit een denkproces voortkomt.

Net als een andere sterke Amerikaanse film van dit moment, the assassination of jesse james by the coward robert ford, gaat de film over hoe de media publieksidolen verslindt. Dylan is eigenlijk ongrijpbaar voor de media. Wat mij fascineert is dat Dylan zichzelf in de media zo ongelooflijk kan tegenspreken. Hij vertelde dat hij een wees was, dat hij geen ouders had, en hij voelde zich verraden toen in 1963 de waarheid aan het licht kwam. Hij werd daar depressief van en sindsdien wantrouwt hij de pers. Hoe dacht hij in Godsnaam dat hij de wereld zo voor de gek kon houden?
Maar de film gaat meer over leven in het moment. Dat is juist het tegenovergestelde van zelfreflectie. Hij kijkt niet terug, analyseert niet. Als je leeft voor het moment, zul je jezelf steeds tegenspreken, en dat is hoe Dylan is. Op zulke momenten is hij volledig oprecht. Als ze hem in de film dan ook over dingen van gisteren vragen, kan hij daar niet mee omgaan. En dat is niet zo vreemd: de meeste mensen zullen, wanneer ze door een vreemdeling worden gevraagd iets over zichzelf te vertellen, een barrière opwerpen. Dat is het moment waarop de grote vervreemding begint.

Mike Lebbing