The Rum Diary

Drank & katers in Puerto Rico

  • Datum 22-12-2011
  • Auteur
  • Gerelateerde Films The Rum Diary
  • Regie
    Bruce Robinson
    Te zien vanaf
    01-01-2011
    Land
    Verenigde Staten
  • Deel dit artikel

In The Rum Diary portretteert Johnny Depp zijn idool en goede vriend Hunter S. Thompson als een jonge schrijver die op zoek is naar zijn eigen stem. De verfilming van Thompsons vroege roman moet het vooral hebben van Puerto Ricaanse couleur locale.

Bijna iedere kunstenaar kent een ongewisse periode, waarin hij op zoek gaat naar zijn eigen stem. Sterker nog: de meeste kunstenaars blijven altijd in dat stadium hangen.
Orson Welles timmerde in de jaren dertig aan de weg als toneelmaker. Maar wie had na het zien van zijn generieke surrealistische kortfilm The Hearts of Age (1934) kunnen voorspellen dat juist hij de filmgeschiedenis zou veranderen met zo’n ongelooflijk trefzeker debuut als Citizen Kane? Of luister anders eens naar het album Door Door van het Australische bandje The Boys Next Door: een braaf new wave-plaatje dat nauwelijks voortekenen bevat van het pandemonium dat de bandleden later zouden aanrichten als The Birthday Party. Laat staan de ongenaakbare duistere brille die frontman Nick Cave over het voetlicht bracht op zijn solo-albums.
Hunter S. Thompson schreef zijn roman The Rum Diary jaren voordat hij furore zou maken met zijn hoogst individuele gonzo journalism. Begin jaren zestig was geen enkele uitgever geïnteresseerd in Thompsons in rum en mescaline gedrenkte proza. Alleen zijn latere roem en de bemoeienis van zijn kameraad Johnny Depp zorgden ervoor dat The Rum Diary in 1998 alsnog gepubliceerd werd. Diezelfde Depp zorgde er na Thompsons zelfmoord in 2005 trouwens ook voor dat de as van de schrijver, conform diens laatste wens, de ether werd ingeschoten met een 50 meter hoog kanon, terwijl hij ook de drijvende kracht was achter de verfilming van The Rum Diary. Hoofdpersoon Paul Kemp — door Depp nadrukkelijk neergezet als Thompsons alterego — onderkent het hierboven geschetste jongekunstenaarsprobleem: "Ik heb geen stem. Ik weet niet hoe ik als mezelf moet schrijven."

Schimmig
Toen Depp voor de eerste keer een alterego van Hunter S. Thompson speelde, in Fear and Loathing in Las Vegas, was hij 35 jaar oud — een tikkeltje ouder dan Thompson zelf tijdens het schrijven van die doorbraakroman. Inmiddels is Depp achterin de veertig, terwijl zijn Thompson-personage in The Rum Diary begin twintig is. Curieus genoeg stoort het helemaal niet dat de acteur bij deze vertolking wat ouwelijk overkomt. Natuurlijk leken mannen in de jaren vijftig sowieso vroeg oud, maar het is vooral het gebrek aan een doel dat Paul Kemp minder zeker en daardoor minder vitaal maakt. In Fear and Loathing is Depps Raoul Duke juist een man die weet waar hij voor staat, en wat hij in de gokhoofdstad komt doen, ook al wordt hij nog zo afgeleid door drugs en drank. Maar de jonge Paul Kemp is nog niets. Hij wil schrijver zijn. Daarvoor reist hij zelfs naar Puerto Rico, om als redacteur te werken bij een noodlijdend Engelstalig dagblad. Maar wanneer de rijke Amerikaanse ondernemer Sanderson (Aaron Eckhart) hem probeert te betrekken bij een schimmig vastgoedproject lijkt Kemp voor de verlokkingen van een luxe leventje te bezwijken. Al was het maar omdat hij op die manier dicht bij Sandersons aantrekkelijke verloofde Chenault (Amber Heard) kan zijn. Als uiteindelijk het besef groeit dat Sanderson een foute, gladde aal is besluit Kemp partij te kiezen. Zijn rebellie tegen het systeem is echter een kwestie van ‘too little too late’ en richt bitter weinig uit.

Krankzinnig
De vraag is natuurlijk of een wisselvallig portret van een wisselvallige jongeman ook per se een wisselvallige film moet opleveren. Want wisselvallig, zo mag je The Rum Diary gerust noemen. Dit verhaal had echt baat gehad bij een wat duidelijkere focus op de ontwikkeling van de hoofdpersoon. Nu maken de filmmakers zich er een beetje vanaf door in een tekst aan het slot te melden dat Kemp na zijn vertrek uit Puerto Rico een geducht criticus van het establishment zou worden. Dat is natuurlijk fijn voor de journalist en minder fijn voor het establishment. Maar liever had ik in de film zelf gezien dat dit gebeurde en vooral: hoe dit gebeurde.
In plaats daarvan blijft The Rum Diary steken in couleur locale en randgebeuren. Nu heeft Depp met Bruce Robinson wel een regisseur in huis gehaald die excelleert in het ensceneren van randverschijnselen. Net als in zijn onnavolgbare cultklassieker Whitnail & I (1986) schildert Robinson een door alcholdampen doordesemde mannenwereld die tegelijkertijd verleidelijk én ranzig is. Kemp wordt de halve film vergezeld door een zweterige fotograaf (Michael Rispoli) die we in bijna ieder shot aan een fles sterke drank zien lurken.
Hilarisch zijn daarnaast de optredens van Giovanni Ribisi als een compleet doorgeflipte ex-employee van de krant, die met zijn krankzinnige uitbarstingen de hoofdredacteur (prachtrol van Richard Jenkins) tot waanzin drijft. Uitgesproken zwak is daarentegen Robinsons uitwerking van de centrale romance tussen Kemp en Chenault. Amber Heard is mooi, uiterst verleidelijk en door haar relatie met zakenman Sanderson ook nog gevaarlijk: geen wonder dat Kemp daarvoor valt. Maar andersom valt de manier waarop deze jonge vrouw zich aan Kemp aanbiedt alleen maar te begrijpen als een op hol geslagen mannenfantasie. De driehoeksrelatie tussen Kemp, Chenault en Sanderson had het verhaal substantie moeten geven, maar is door de slechte uitwerking van Heards personage volstrekt ongeloofwaardig.

Fritz de Jong


Hunter S. Thompson

Wie was de echte Hunter S. Thompson? In de BBC-documentaire Fear and Loathing in Gonzovision (1978) moest de schrijver toegeven dat hij het zelf ook niet altijd wist.

"Ik leid een normaal leven, maar naast mij bestaat ook die mythische figuur. Als ik word uitgenodigd om een lezing te geven weet ik nooit zeker of ze Thompson willen hebben, of Raoul Duke." Net zoals in Thompsons gonzojournalistiek feit, fictie, opinie en subjectieve beleving door elkaar lopen, zo lijken Thompson en zijn alterego’s ook in elkaar over te vloeien. De speelfilms op basis van Thompsons werk maken daar dankbaar gebruik van. Of we nu kijken naar Bill Murray als Hunter S. Thompson in Where the Buffalo Roam (1980) of Johnny Depp als Raoul Duke (Fear and Loathing in Las Vegas, 1998) of Paul Kemp (The Rum Diary, 2011): we kijken altijd naar een impulsief personage waaraan je een willekeurige reeks sterke verhalen kunt ophangen uit het kleurrijke leven van Hunter S. Thompson. Al dan niet verzonnen.
Where the Buffalo Roam was in feite ook niets meer dan dat: een bonte collectie kleurrijke anekdotes vol drank, drugs en waanzin, die in willekeurige volgorde achter elkaar waren geplakt. Thompson kon nog enige waardering opbrengen voor Murray’s manische inbreng, maar verder vond hij het een cartooneske miskleun. Enthousiast was hij wel over Terry Gilliams woeste filmische trip Fear and Loathing in Las Vegas. Nu valt best te verdedigen dat Gilliam de binnenkant van Thompsons hersenpan heeft willen portretteren. Maar ook hier werden de excessen zo grotesk gemaakt dat je onmogelijk zicht kreeg op het ‘normale leven’ waar Thompson prat op ging.
Misschien moeten we voor de echte Hunter S. Thompson te rade gaan bij de documentairemakers die het fenomeen portretteerden. De filmer die letterlijk het dichtst bij Thompson kwam is Wayne Ewing, een buurman van de schrijver die diens dagelijkse bezigheden probeerde te vangen in (online te bekijken) portretten als Breakfast with Hunter. Naast Thompson zelf komen in deze producties talloze beroemde vrienden, bekenden en bewonderaars van Thompson aan het woord, onder wie John Cusack, Terry Gilliam, Benicio del Toro en Lyle Lovett. En net als in Tom Thurmans docu Buy the Ticket, Take the Ride (2006) begint het gedonderstraal met al die beroemde pratende hoofden. Want allemaal hebben ze wel een idiote anekdote over Thompson, die weer bijdraagt aan de mystificatie van de schrijver.

FdJ