THE DIVING BELL AND THE BUTTERFLY

Door het oog

  • Datum 03-11-2010
  • Auteur
  • Gerelateerde Films THE DIVING BELL AND THE BUTTERFLY
  • Regie
    Julian Schnabel
    Te zien vanaf
    01-01-2007
    Land
    Frankrijk/Verenigde Staten
  • Deel dit artikel

Na een beroerte leefde de Franse journalist Jean-Dominique Bauby nog 14 maanden met het zogenaamde ‘locked in-syndroom’. Regisseur Julian Schnabel kroop in zijn hoofd: "Als je ziek bent is er geen verschil meer tussen je koortsdromen en de werkelijkheid."

In den beginne was het oog.
En toen was er niets.
En toen ging het oog weer open.
Daarover gaat de nieuwste film van beeldend kunstenaar Julian Schabel (New York, 1951): de relatie tussen oog en wereld. Tussen wereld en oog. Als in the diving bell and the butterfly een oog open gaat, dan wordt de wereld geboren.
Oog dicht. En sterft weer.
Oog open.
Cogito ergo sum. "Ik denk, dus ik ben", dacht de Franse filosoof René Descartes (1596-1650). Lees voor denken: álles wat het bewustzijn kan. Denken, waarnemen, overpeinzen, beslissen, twijfelen. En toen was de moderne filosofie, was de moderne tijd begonnen, met de denkende mens als middelpunt van zijn eigen universum. Nou ja. Bijna.
Maar laten we overnieuw beginnen. Want the diving bell and the butterfly, die op het afgelopen Filmfestival Cannes de Gouden Palm voor Beste Regie won, is immers geen filosofisch traktaat. Het is net als Schnabels eerdere films basquiat (1996) en before night falls (2000) een film over de geboorte van een kunstenaar. In dit geval over Jean-Dominique Bauby (1952-1997). Het is een film over de dood van een societyfiguur, journalist, womanizer, lastige zoon, Elle-hoofdredacteur Jean-Do en over de geboorte van de ‘aan bed gekluisterde reisschrijver’ Jean-Dominique Bauby. Dat leven duurde 14 maanden. De 14 maanden die hij na een beroerte en coma met het zogenaamde ‘locked in-syndroom’ doorbracht in een ziekenhuisbed. Het is een nachtmerrie: je hele lichaam verlamd en je bewustzijn nog volkomen intact. Alleen zijn linkerooglid deed het nog. Een keer knipperen voor ja, twee keer voor nee. En zo leerde hij langzamerhand weer communiceren. ‘Schreef’ hij met behulp van een geduldige verpleegster en een letterplankje een boek. Oneerbiedig gezegd is de film de Franse mar adentro, met Mathieu Amalric als Javier Bardem, die, omdat zijn gezicht verlamd is, alleen met zijn oog kan acteren. En met zijn stem. Maar anders dan Alejandro Amenábar gaat Julian Schnabel wél het hoofd van zijn hoofdpersoon uit, de ziekenkamer uit, de wereld in. Al is het natuurlijk beter om te zeggen dat hij de wereld uit, en het hoofd van Bauby in gaat. Want wáár bevindt zich de wereld?

Hand-en-voet-schilder
In het begin van the diving bell and the butterfly, als het oog opengaat, weet Bauby nog niet dat hij ‘in een duikersklok’ van de wereld is afgesloten. Hij realiseert zich aanvankelijk niet eens dat hij niet praat als hij denkt dat hij iets zegt en dat ze hem dus niet kunnen horen.
Het zou the diving bell and the butterfly tekort doen om alleen maar te zeggen dat het een kunstenaarsportret is, van een zielige man nog wel, een soort hand-en-voet-schilder met zijn ene ooglid, want dat is het niet helemaal. Schnabel schildert Bauby in zijn eigen woorden. Dus eigenlijk is the diving bell and the butterfly ook een autobiografie-door-middel-van. Het enige wat Schnabel (in het dagelijks leven echt succesvol schilder, waardoor hij zich de vrijheid kan kopen om zijn films net zo persoonlijk en oncompromisloos te maken als hij zelf wil) heeft gedaan is zijn eigen ogen openzetten om de wereld van Jean-Do te verbeelden. En daarom is zijn film ook een verantwoording van de verhouding tussen een kunstenaar en zijn oog. Of: over de verhouding tussen werkelijkheid en afbeelding.
Twee complicerende factoren: Schnabel volgde niet helemaal trouw Bauby’s boek, vertelde hij in mei op het Filmfestival Cannes in een rondetafelgesprek waarbij ook de Filmkrant aanschoof. Aan de hand van zijn eigen research, en gesprekken met mensen die hem gekend hebben én het boek (re)creëerde hij een Bauby die hij, zoals hij dat omschreef, ‘waarachtiger’ vond. Helaas was er geen gelegenheid om te verifiëren wat hij bedoelde: artistiek waarachtiger of biografisch waarachtiger.
Hij moet daar een reden voor hebben gehad. Dat konden we ook niet vragen door de monoloog die Schnabel verkoos af te steken. Wat is er dus mis met het boek van Bauby? Is dat niet waarachtig genoeg? Waarschijnlijker is dat het hem te veel ruimte voor twijfel liet. De verpleegster die met engelengeduld letter voor letter op dat leesplankje Bauby in staat stelde om met de buitenwereld te communiceren, kan ook wel eens haar dag niet hebben gehad, iets verkeerd begrepen hebben, een woord inderhaast alvast onjuist opgeschreven. We weten kortom niet met 100% zeker of het boek Le scaphandre et le papillon ook 100% Bauby is.
Oerprobleem van communicatie natuurlijk. Je weet nooit zeker of je 100% begrepen wordt, ook niet als je het ze nog 100 keer in hun smoelen kunt schreeuwen.
En dan nog iets: was Bauby wel helemaal 100% Bauby?

Focus
Het zijn allemaal vragen die in en uit focus (een stijlmiddel dat Schnabel met zijn cameraman Janusz Kaminski secuur inzet) voor je eigen geestesoog opdoemen tijdens het kijken naar deze contemplatieve film — maar hoe bedrieglijk en vervreemdend is soms die rust. Beangstigende vragen.
Want the diving bell and the butterfly is eerst en vooral een ontologisch scheppinsgverhaal. Wat was er eerst? De wereld of het oog?
Descartes vond het antwoord op deze gekmakende vraag door een beroep te doen op een instantie buiten zichzelf. Hij ontsnapt aan het solipsisme (de filosofische opvatting dat alleen het bewustzijn van de waarnemer bestaat) dankzij God. Dat is voor Bauby, en Schnabel in zijn denksporen, niet zo vanzelfsprekend. Maar gek genoeg biedt hun postmoderne twijfel enorm veel troost. Le scaphandre et le papillon werd na zijn verschijnen in 1997 een enorme bestseller, vooral voor mensen in een proces van stervensbegeleiding en rouwverwerking. Zo kwam het ook in handen van Schnabel terecht.
Hij schilderde het filmdoek vol als een van zijn canvassen. Neo-expressionistisch worden die wel genoemd. Waarop de geportretteerden worden opgebouwd en afgebroken uit duizenden fragmentarische elementen. Beroemd is zijn ‘Zelfportret in Andy’s schaduw’ (1987), waarop hij zichzelf schilderde, dwars door de sterfdatum van Andy Warhol heen. Ook achter de schilderingen in the diving bell and the butterfly schemert zijn beeltenis, die als een spiegel voor de toeschouwer en zijn vragen is. Portret van een wereldschepper.
Oog dicht.

Dana Linssen


Monoloog van Julian Schnabel

"Zo", zei Julian Schnabel tegen een groepje journalisten in Cannes, "Ik heb vandaag zoveel domme vragen gehoord dat ik nu precies ga vertellen waar ik zelf zin in heb. En als daar een antwoord op jullie vragen bij zit is dat mooi meegenomen en anders pech gehad."

Mathieu Amalric (links) en Julian Schnabel op de set

"Kunst is altijd een manier om de sterfelijkheid te bezweren natuurlijk. Dat doe ik zelf ook. Ik ben ook bang voor de dood, voor ziekte. Ik vraag me ook af hoe lang ik nog heb. En dan zit ik buiten te schilderen, want ik hou ervan om buiten te werken, en dan ruik ik de geur van verf en dan denk ik: misschien heb ik nog dertig zomers. En misschien doe ik straks wel even een dutje. En dat geeft een enorm gevoel van vrijheid. Dat ik nog dertig zomers buiten kan zitten schilderen en misschien wel een dutje doen. Of dat ik laatst in Rome was voor de inrichting van een tentoonstelling en dat ik zag hoe de burgemeester met zijn oor aan zijn mobiele telefoon in zeven minuten langs dertig van mijn schilderijen raasde — voor elk jaar van mijn schildersleven één. In zeven minuten. En dat je je dan kunt bedenken dat over dertig jaar niemand meer weet hoe de burgemeester van dertig jaar geleden heette, maar dat de curatoren van het Palazzo Venezia precies weten wat ze aan de muren moeten hangen. Schilders van wel langer dan dertig jaar geleden."
"Als ik een film maak moet ik de hele wereld overvliegen om hier met die en daar met die af te spreken en dingen te regelen. Dat leidt enorm af. Regisseurs zouden niet met geldschieters moeten praten. Bovendien is de glamour van de filmwereld nog niets vergeleken met de kunstwereld. Ik kan in één dag meer geld verdienen door een van mijn schilderijen te verkopen, dan als ik een jaar lang aan een film werk. Het heeft me dertig jaar gekost om daar te komen. En nu kan ik me met mijn schilderijen te vrijheid kopen om precies de film te maken die ik wil."
"Films communiceren sneller dan schilderijen: ze worden door meer mensen tegelijkertijd gezien."
"Maar dat alles is niet de reden waarom je kunst maakt."
"Dat is iets wat móet. Zoals Jean-Do zijn boek móest schrijven."

Artefacten
"Ik kreeg Le scaphandre et le papillon in handen via Darin McCormack, de verpleger van Fred Hughes, de business manager van Andy Warhols Factory. Fred had MS en toen het echt erg werd kon hij zijn bed niet meer uit en lag hij als Miss Havisham (de oude vrijster uit Charles Dickens’ Great Expectations, DL) midden in zijn appartement met al die kunstartefacten om hem heen. Op het laatst kon hij niet meer praten. Ik ging naar hem toe om hem voor te lezen en hij lag daar maar met die grote ogen naar het plafond te staren. Ik stelde me voor dat hij zich afvroeg: ‘waarom komt die jongen hier om mij voor te lezen, die heeft het toch veel te druk met zijn kunst en zijn eigen leven?’ Een van de boeken die Darin mij gaf was Le scaphandre et le papillon."
"Het boek was belangrijk bij het schrijven van het script. Ik bleef er maar op teruggrijpen. Maar als ik een film maak, dan ben ik meer een privé-detective. Ik loop rond en zoek en las ruimte in voor improvisatie."
"Ik hou van de zin waarin hij zegt dat als je terugzwemt uit de mist van een coma, je niet de luxe hebt dat je dromen kunnen oplossen. En dat zette mij op het spoor dat het verschil tussen zijn feitelijke toestand, vastgeklonken in bed, en de werelden die hij zich tevoorschijn tovert, maar heel dun is. Als je ziek bent is er geen verschil meer tussen je koortsdromen en de werkelijkheid. Dat is de reden waarom ik werkelijkheid en fantasie op dezelfde manier hebt aangepakt. Er is in mijn film geen onderscheid tussen wat waar is en wat niet. Er zijn dingen waar Jean-Do niet over schreef, zoals over de relatie met zijn ex-vrouw, maar dat wil niet zeggen dat ze er niet was. Ik hoorde van een vriend van hem dat hij had gezegd dat hij op een telefoontje van haar had gewacht. Moet je dat dan niet in de film stoppen, omdat het niet in het boek staat?"

DL