The Artist

Eindelijk!!! Een parodie op de stille film!!!

  • Datum 27-10-2011
  • Auteur
  • Gerelateerde Films The Artist
  • Regie
    Michel Hazanavicius
    Te zien vanaf
    01-01-2011
    Land
    Frankrijk
  • Deel dit artikel

Hoe ga je om met veranderingen? Dat is zo’n beetje het thema van elke film. Maar nog nooit gebeurde dat zo sprankelend en letterlijk als in The Artist: een perfecte spoof over de tijd dat film nog stil was en opeens geluid moest gaan maken.

The Artist had natuurlijk geen schijn van kans in de competitie van het afgelopen filmfestival van Cannes. Komedies winnen geen prijzen, laat staan de Gouden Palm — de meest prestigieuze filmprijs ter wereld. De laatste volbloed komedie die er met deze grand prix vandoor ging, was Richard Lesters The Knack… and How to Get It in 1965. Sindsdien zijn Barton Fink (Joel & Ethan Coen, 1991 — neo-noir met komische inslag), Pulp Fiction (Quentin Tarantino, 1994 — misdaadfilm met hilarische dialogen) en Fahrenheit 9/11 (Michael Moore, 2004 — pamfletdocu vol ironie) de enige winnaars die in de buurt van humor zijn gekomen.
En toch, en toch. Halverwege het festival was er ineens buzz rond de komedie van de Franse regisseur Michel Hazanavicius, die op het laatste moment aan de competitie werd toegevoegd. De sprankelende pastiche op de stomme film van de jaren twintig en dertig, over filmster George Valentin (Jean Dujardin) die door de komst van de geluidsfilm uitgerangeerd wordt, was een verademing tussen de zware kost van de competitie. En toen won de film ook nog de ludieke Palm Dog Award, de prijs die door een groep critici-met-humor jaarlijks wordt vergeven aan de competitiefilm met de beste hondenrol, voor de terriër Uggy, Valentins sidekick in zijn vaudevilleoptredens die in The Artist regelmatig de lach haalt. En zo was de film ineens van underdog uitgegroeid tot één van de grote kanshebbers.

Erroll Flynn
Inmiddels weten we dat Terrence Malicks The Tree of Life er uiteindelijk met de hoofdprijs vandoor ging; The Artist moest het doen met een acteursprijs voor de inderdaad briljante Dujardin, die een overtuigende combinatie neerzet tussen Erroll Flynn, Clark Gable en Rudolf Valentino. Maar zijn zwijgende zwart-witfilm was wél de meest verrassende ontdekking van het festival.
Hazanavicius maakte eerder twee spoofs op de uitbundige spionagefilms van de jaren zestig, eveneens met Dujardin in de hoofdrol als de aristocratische playboy-spion O.S.S. 117. In The Artist storten de twee zich met evenveel overgave op de eindtijd van de zwijgende cinema. Tot in de puntjes heeft Hazanavicius de stijl nagemaakt, van het fysieke acteerwerk tot de tekstkaarten die worden gebruikt om dialogen weer te geven. Tegelijkertijd speelt hij met de moderne middelen van de cinema om zo de grenzen te onderzoeken van de verouderde vorm waarin hij verkiest te werken. The Artist is dan ook niet alleen een teruggreep op het verleden van de cinema, maar vooral ook een reflectie op het immer veranderlijke filmmedium.
Terwijl Valentin niet om kan gaan met de veranderingen die de komst van geluid met zich mee brengt, weet rijzende ster Peppy Miller (Bérénice Bejo) het juist als geen ander naar haar hand te zetten; uiteraard groeien de twee gedurende de film langzaam naar elkaar toe. Je moet meegroeien met de veranderingen, zonder je eigenheid te verliezen, lijkt de centrale boodschap. Zo is The Artist in het licht van de schijnbaar onstuitbare opmars van 3D ook nog eens hoogst actueel.

Joost Broeren

Zwijgen is goud

Halsstarrig verzet filmster George Valentin zich in The Artist tegen de geluidsfilm. Dat anti-geluidsentiment komt niet uit de lucht vallen.

‘Cinema’ is what cannot be told in words. But just try and explain that to people spoilt by thirty centuries of chatter — poetry, novels, plays. You would have to begin by giving them back the eyes of a savage, or a child watching a Punch and Judy show, who is less interested by the story than by the hail of blows.
(Uit René Clairs autobiografie Reflections on the Cinema, 1953)

Sunrise

In The Artist, Michel Hazanavicius’ humorvolle hommage aan de stille film, kiest filmster George Valentin er anno 1927 voor om geen geluidsfilms te maken. Terwijl iedereen om hem heen, van studiobaas tot collega-acteurs, enthousiast wordt van de toevoeging van geluid, immers de logische volgende stap in de evolutie van cinema, omarmt hij deze toekomst niet. Geluid is voor hem — letterlijk — een nachtmerrie. Hij verkiest het verleden en wordt zo een zonderlinge eenling. De kunst van de stille film gaat met de komst van de geluidsfilm verloren, dat voelt Valentin instinctief aan.
Zijn verzet tegen geluid doet denken aan Charles Chaplin, die pas in 1936 (deels) overstag ging met Modern Times, een hybride tussen ‘talkie’ en stille film. Waarom Valentin zo koppig weerstand biedt, laat The Artist in het midden. Toch heeft zijn halsstarrigheid een historische precedent. Zijn anti-geluidsentiment komt niet uit de lucht vallen. Net als Valentin vonden veel filmtheoretici en filmmakers uit die tijd geluid helemaal geen verbetering van het dertig jaar jonge medium, eerder een verslechtering. Had niet juist het voorliggende decennium voor eens en altijd aangetoond dat film een nieuw zelfstandig medium was, een eigen kunstvorm die zich na een lange worsteling losgemaakt had uit de ketenen van literatuur en theater enerzijds, en goedkoop vermaak als circus en kermis anderzijds? Werd cinema net volwassen, gooit geluid weer roet in het eten.
Terwijl filmmakers als F.W Murnau (Der letzte Mann, 1924; Sunrise, 1927) het aantal tussentitels zoveel mogelijk probeerden te beperken en het verhaal via beelden vertelden, kreeg men na de komst van geluid opeens krakkemikkige dialogen voor de kiezen. Vaak ook nog slecht verstaanbaar, want de microfoons uit die tijd waren nog niet zo gevoelig. En omdat camera’s niet meer met de hand bediend werden, maar motorisch aangestuurd, maakten ze een flink kabaal. Dus moesten ze in een geluidswerend omhulsel dat de camera vrijwel immobiel maakte. Dit betekende het (tijdelijke) einde van vloeiende camerabewegingen, die bijdroegen aan een elegante mise-en-scène. Die mise-en-scène is de motor van het verhaal, waarbij de relatie tussen camera, acteur en decor altijd betekenis heeft. De komst van geluid verstoort deze nadruk op kijken. Door de toevoeging van het gesproken woord hoeft de kijker minder op het beeld te letten. De geluidsfilm maakt een toeschouwer luier. Alles wat vroeger impliciet was, wordt expliciet. Cinema had de potentie kunst te zijn — en is dit soms nog — maar met de komst van geluid is film nadrukkelijk entertainment geworden. Dit verlies zorgt voor het melancholieke tintje dat over The Artist hangt.

Let us learn how to look at what is in front of us. Words have assumed too much importance. We know most word combinations by heart. But we have eyes and still don’t see. (René Clair)

André Waardenburg