METAL: A HEADBANGER’S JOURNEY

Ik schud mijn hoofd, dus ik besta

  • Datum 10-12-2010
  • Auteur
  • Gerelateerde Films METAL: A HEADBANGER’S JOURNEY
  • Regie
    Sam Dunn, Scott McFadyen, Jessica Joy Wise
    Te zien vanaf
    01-01-2005
    Land
    Canada
  • Deel dit artikel

Met een verrassend diepgaande maar ook humoristische documentaire over de minst begrepen en meest belachelijk gemaakte muzikale stroming van de laatste decennia licht een trio Canadese filmmakers een tipje van de sluier op rond het fenomeen van de headbanger en zijn gekoesterde zware metalen.

Rob Reiners This is Spinal Tap (1984), de cult-mockumentary over een Britse heavy metal band die probeert door te breken in Amerika, bevat een scène die in al zijn eenvoud veel clichés over deze muzieksoort verenigt. Het is het moment waarop de niet erg snuggere gitarist, die zijn instrument als een fallussymbool beheert, over zijn versterker staat te pronken. Dit is het echte werk, dit is waar de mannen van de jongens worden gescheiden, want de volumeknop stopt niet bij de tien, zo grijnst hij: "This one goes up to eleven!"
Er bestaan veel vooroordelen over heavy metal. Het zou een genre zijn dat drijft op niets anders dan kitsch, vrouwvijandigheid en geweldsverheerlijking. Een genre voor muzikale analfabeten waarin puisterige pubers en wereldvreemde nerds welig tieren — de MTV-cartoonserie Beavis & Butthead trapte deze open deuren op ludieke wijze in. Tegelijk wordt heavy metal over de hele wereld door miljoenen muziekliefhebbers aanbeden en als levensstijl omarmd, en is het ondanks de ruige buitenkant binnen de beweging pais en vree wat de klok slaat.
Die vreemde situatie — waarom roept metal zulke gepolariseerde reacties op? — was voor de Canadese antropoloog en metalfan Sam Dunn het startpunt van de documentaire Metal: A headbanger’s journey, die hij met co-regisseurs Scott McFadyen en Jessica Joy Wise maakte. De crew vloog de hele wereld over, maakte opnamen op openluchtfestivals en de opvallend kritische Dunn sprak, als een doorgewinterde advocaat van de duivel, met helden, prominenten en pioniers van het genre.
Dat levert door de systematische aanpak (alle subgenres zoals ‘thrash metal’ en ‘black metal’ worden op een heldere manier besproken) een voor zowel doorgewinterde fans als nieuwkomers boeiende en vooral ook grappige docu op. Dunn zoekt naar de wortels van het genre, treft interessante satanistische zaken aan in de middeleeuwen, en bewijst terloops dat Beethoven en Wagner de eerste headbangers waren. En Dunn is er niet bang voor om met de billen bloot te gaan en banale toestanden binnen de metal aan de kaak te stellen. Het hoogtepunt vormt een gesprek met Dee Snider, voormalig frontman van het uiterst succesvolle Twisted Sister, een band die zich op het podium als een stel haveloze straathoeren presenteerde. Snider legt puntig uit hoe het nou zat met de ‘glam metal’, een genre dat in de jaren tachtig met bands als Poison en Mötley Crüe enorm populair was. De bandleden, zonder uitzondering über-macho’s van het zuiverste water, liepen er extreem verwijfd bij en waren zeer gewild bij vrouwelijke fans en groupies, die 90% van het publiek vormden. De tegenpool hiervan werd gevormd door de thrash metal, een subcultuur waarin harige en half ontblote mannen zeer ruige muziek op een uit 90% mannen bestaand publiek afvuurden. Uiteraard maakten fans van de twee bewegingen elkaar consequent voor mietjes uit.

Stickers
Wanneer Sam Dunn en Scott McFadyen aanschuiven voor een interview over hun film, worden visuele clichés verbaal de kop ingedrukt: de heren zien er als echte metalheads uit, maar zijn welbespraakt en verdedigen hun film met een aanstekelijke mix van zelfspot, intellect en passie voor hun geliefde muziek. Dunn: ‘Ah, Dee Snider and the gender issue! Dat is inderdaad een grappig fragment. Weet je, metalheads adoreren hun helden. Omdat het een vooral door mannen beleefde muziekvorm is, heeft de buitenwacht dan snel een oordeel klaar: dat moet wel een homo-erotische kwestie zijn. Ik denk dat het iets simpeler zit. Een fan kijkt op naar de bands en denkt: die gast met die gitaar staat op een podium, voor hem staan na afloop de mooiste meiden klaar, iedereen vindt hem cool, hij verkoopt veel platen en verdient veel geld… en ik heb niks.’
Als Dunn is uitgelachen roert hij een serieuzer onderwerp aan: ‘Dee Snider heeft ook goed werk voor de vrijheid van meningsuiting gedaan. In 1985 werden Snider en een aantal andere muzikanten zoals Frank Zappa aangeklaagd door de PMRC, de Parents Music Resource Center, geleid door vrouwen van conservatieve senatoren. Ze werden ook wel ‘The Washington Wives’ genoemd. Omdat metal op dat moment erg populair in Amerika was, wilden ze het aanpakken. Er moesten stickers op de elpees komen om te waarschuwen voor de teksten en men wilde zelfs platen verbieden: de gevestigde orde voelde zich duidelijk bedreigd. Snider heeft toen een voortreffelijk betoog voor die commissie gehouden en al die politici en hun vrouwen — waaronder de latere vice-president Al Gore en zijn echtgenote Tipper — geweldig op hun nummer gezet. Die beelden zitten in onze docu: je ziet de bekken van de commissieleden openvallen van verbazing. Ze hadden nooit gedacht dat een headbanger kon nadenken, laat staan ze op alle punten in een openbare discussie verslaan. Snider richtte in één middag de PMRC te gronde. Hij is niet alleen voor metalheads, maar ook voor veel andere Amerikanen een held. Overigens wil hij tegenwoordig dat zijn eigen kinderen niet luisteren naar aanstootgevende bands als Tenacious D, van dat nummer ‘Fuck her gently’. Maar hij neemt die keuze als een ouder, niet als de overheid.’

Walgelijk
Goed, het punt is duidelijk. Metalheads kunnen nadenken. Maar waarin schuilt toch de aantrekkingskracht van die beestachtig harde muziek met onverstaanbare, duistere en politiek-incorrecte teksten? Voor de buitenwacht lijkt het wel een sekte, die niet tegen kritiek is bestand en zich afschermt door provocerende kleding te dragen en een nadruk op het groepsgevoel te leggen. Dunn legt op welhaast academische toon uit: ‘Metalheads voelen zich van nature erg met elkaar verbonden. Punkers zoeken bewust de rol van buitenstaander, terwijl metalheads van zichzelf al buitenstaander zijn; ze worden immers niet serieus genomen. Mensen vinden het moeilijk de beweegredenen van metalheads te begrijpen, het is een afgesloten wereld, de teksten zijn niet te verstaan. Maar het is een genre dat eerder aan het gevoel dan het intellect appelleert. De fans hebben schijt aan hippe muziek en verantwoorde teksten, ze hebben geen erkenning van de buitenwereld nodig zoals alle andere muzikale genres. In die zin is metal een van laatste bastions van rebellie binnen de popcultuur: niemand snapt het, men vindt het walgelijk, de kleding wordt in tegenstelling tot die van de punk niet door de mode en de mainstream geannexeerd. En ze zingen niet over politiek, zoals punks. Punk is net zo bezig met imago als metal, het is belachelijk dat te ontkennen. Metals zijn daar veel eerlijker en opener over.’
‘Natuurlijk is sommige metal vrij absurd, laten we eerlijk zijn. Maar het is ook leuk om je daaraan te laven. De muziek is soms zó over de top, dat weten de bands ook wel. Een metal-icoon als Bruce Dickinson van Iron Maiden legt dat in onze docu goed uit. Het leven is vaak middelmatig, metal is een uitlaatklep: laten we een feestje bouwen. En je moet weten dat metalheads This is Spinal Tap geweldig vinden, ze kunnen echt wel om de ironie lachen.’

Schedeldak
Er valt aanzienlijk minder te lachen in de black metal-scene, een uit Noorwegen stammende en door satanistische lieden aanbeden muziekvorm. Er werden in Noorwegen zelfs monumentale kerken in brand gestoken door fans. En binnen de bands ging het er nog heftiger aan toe. Zo bewezen de Noorse black metal-volgelingen van Mayhem zich als echt enge mannetjes, die kettinkjes maakten van het schedeldak van een bandlid dat zelfmoord pleegde en fans opriepen kerken in de fik te steken. Onlangs ontstond in Noorwegen nog grote opschudding toen een beruchte black metal-muzikant, opgesloten voor moord, uit de gevangenis ontsnapte en met een wagen vol wapens werd opgepakt in Denemarken, op weg naar Noord-Afrika om daar in het Vreemdelingenlegioen te gaan dienen. Dunn neemt duidelijk afstand van deze stroming: ‘Black metal neemt zichzelf te serieus en bezit geen ironie; metal hoort om plezier te gaan. Dat duivelse imago begon bij Black Sabbath, zij zijn de meest belangrijke metalband aller tijden, geen twijfel over mogelijk. Maar ze namen hun teksten niet serieus. Later was er Venom, en dat was weer meer macaber, en nu heb je de mensverachtende black metal. Dat hoort toch wat bij het genre: men is constant bezig de muziek zo extreem mogelijk te maken. Maar dat misantropische gedoe zal niet de metal beïnvloeden als geheel, een aspect van die muziek zal hooguit sommige onstabiele geesten beïnvloeden. Maar dat geldt ook voor horror- en voetbalfans: een minderheid maakt het bont, de meerderheid wordt daar op aangesproken.’
Dunn en McFadyen weigeren op zo’n zware noot te eindigen en onderstrepen volgaarne dat het hun uiteindelijk om het plezier en de energie van hun muziek te doen is. Daarvoor halen ze hun beste herinnering aan een vertoning van de film op. Dunn: ‘Na een voorstelling kwam een hoogbejaarde man naar me toe die me wat belangwekkends te vertellen had, zo zei hij. Hij had nooit iets van die idiote muziek gesnapt, maar zei: ‘Ik ga nu eens naar de winkel en een paar metal-cd’s aanschaffen en ze knetterhard draaien!’. Daar kregen we eerlijk gezegd wel kippenvel van. Missie geslaagd.’

Mike Lebbing

 


Aanbevolen kijkmetaal

 

Detroit rock city (Adam Rifkin, 1999) is niet toevallig naar een nummer van Kiss vernoemd. De door bandleden Paul Stanley en Gene Simmons geproduceerde komedie voert een viertal tienerjongens (waaronder Edward Furlong) ten tonele die anno 1978 naar een concert van Kiss reizen, een rit die uiteraard met de nodige problemen gepaard gaat. Zo verliezen ze hun auto en concertkaartjes — maar gelukkig ook hun maagdelijkheid. Veel harde grappen over disco, aanstekelijke flauwiteiten, joints, bier, en veel muziek van legendes als Thin Lizzy, AC/DC en natuurlijk Kiss. Een absolute aanrader voor onverbeterlijk nostalgische hardrockers.
Over This is Spinal Tap is al veel geschreven en gezegd, en dan niet alleen in de tijdschriften die de zware muziek een warm hart toedragen. Met een heuse luxe-editie in The Criterion Collection mag deze metal-mocumantry inmiddels zelfs een klassieker worden genoemd. Niet eerder of later werden zó veel rockclichés zó treffend verbeeld.
The decline of western civilization part II: The metal years (1988) is het tweede deel in een triptiek van muziekdocu’s. Het ongekend hedonistische gedrag van hardrocksterren in een decadent Los Angeles wordt door filmmaakster Penelope Spheeris onder de loep gelegd. En dat ziet er allemaal niet zo fris uit. Maar er valt wel te lachen (Lemmy van Motörhead is zoals altijd goed op dreef) en de extreem bezopen zwembad-monoloog van de gitarist van W.A.S.P. (We Are Sexual Perverts) moet worden gezien om niet te worden geloofd.
Metallica: some kind of monster (2004), een onthullend portret van een band in crisis, werd onlangs zelfs bij de NPS vertoond. Een film met veel pratende hoofden waarin de hardste noten tijdens therapiesessies worden gekraakt; zo wordt het monumentale ego van drummer Lars Ulrich in een memorabele scène aan gort geluld door de getergde ex-gitarist Dave Mustaine, tegenwoordig bekend van Megadeth. Iets wijdlopig, maar de moeite waard.