Les chevaux de Dieu

Hoe bouw je een terrorist?

Wat bezielt een jonge jongen om zijn leven te offeren voor god? De recente opwinding over Syriëgangers maakt Les chevaux de Dieu opeens heel actueel.

Kind zijn is een luxe die niet voor iedereen is weggelegd. Dat is de treurige werkelijkheid die Nabil Ayouch ons eerder al eens in het gezicht gooide met Ali Zaoua, over vier straatkinderen die hun voormalige bendeleider proberen te ontlopen. In Les chevaux de Dieu zoekt Ayouch in zo’n gemankeerde jeugd een verklaring voor de radicalisering van een groep twintigers uit de sloppen van Sidi Moumen, aan de rand van Casablanca. Op 16 mei 2003 trokken ze naar de stad. Niet om er eens leuk de bloemetjes buiten te zetten, maar om zichzelf in naam van god op te blazen, en daarbij zoveel mogelijk geloofsvijanden te vernietigen.
Levend in een wereld waarin niemand naar ze omkijkt, leren ze al jong hun eigen regels te bepalen. Het vrolijke potje voetbal waarmee de film opent, eindigt in agressief machtsvertoon door de kleine tiran Hamid. Als de tegenpartij de benen neemt, pepert hij zijn broertje nog even in met wie hij zich wel en niet moet inlaten. "Loop toch niet zo achter dat mietje aan."
Exact dezelfde scène luidt het tweede deel van de film in, al zijn de jongens dan zo’n tien jaar ouder. Het is meer dan alleen een truc om aan het publiek snel duidelijk te maken wie wie is. De bijna letterlijke herhaling brengt ook meteen een gevoel van stilstand en uitzichtloosheid met zich mee. Hier verandert nooit iets.
Dat fatalisme doet de film geen goed. ‘Niemand wordt geboren als martelaar’ luidt de tagline op de filmposter, maar de film suggereert nu juist dat de plek wáár je wordt geboren allesbepalend is. Armoede en isolatie, falend ouderschap en een corrupt politieapparaat; en dan een man met een baard die je verlost van je gevoel van minderwaardigheid. De val lijkt haast onontkoombaar. Een interne motivatie is in dit schema nauwelijks meer nodig en, Ayouch’ opzet ten spijt, de daders blijven daarmee op afstand. Want écht begrijpen kunnen we ze toch niet.
Juist door zich van antwoorden te onthouden, bood en biedt Hany Abu Assads Paradise Now uit 2005 nog altijd een veel prikkelender benadering van het fenomeen. Terwijl die film stap voor stap in beeld brengt hoe twee ogenschijnlijk gewone jongens zich voorbereiden op hun martelaarschap, laat hij de kijker onbarmhartig staren in een put waarvan de bodem niet te zien is. Zo moeten de familieleden, vrienden en buren van die jongens uit Sidi Moumen zich ook hebben gevoeld.

Sasja Koetsier