LEK

Snorren versus bakkebaarden

  • Datum 07-12-2010
  • Auteur
  • Gerelateerde Films LEK
  • Regie
    Jean van de Velde
    Te zien vanaf
    01-01-2000
    Land
    Nederland
  • Deel dit artikel

Victor Löw imiteert een John Woo-personage

Na De kleine blonde dood en All Stars voegt Jean van de Velde opnieuw een vakkundige publieksfilm aan zijn oeuvre toe. Een naar de IRT-affaire knipogende misdaadthriller ditmaal, vol bizarre afrekeningen, lullige agenten en een vleugje macabere humor.

Meteen de eerste scène van Lek zet je al aardig op het verkeerde been. De schmaltz van André Hazes’ ‘Kleine jongen’ zet in, en je ziet homevideo-achtige beelden van twee spelende jochies. Een wat sentimentele introductie van twee mannelijke hoofdpersonen, denk je eerst nog. Totdat je te zien krijgt dat het geen huiskamerfilmpje, maar een karaoke-video betreft. Een kale Amsterdammer staat het lied te zingen. Zijn maten krijgen af en toe de microfoon onder de neus geduwd. Een gezellige avond? Niet helemaal, zo blijkt wanneer een tussenshot degene toont die wordt toegezongen: strop om de nek, gehavend gezicht, prop in de mond, zijn handen vastklampend aan een ijzeren staaf die aan het plafond hangt. Wat eerst zo klef leek blijkt een tamelijk bizarre criminele afrekening. De gasbrander komt te voorschijn.

Ginnegappend
Regisseur en coscenarist Jean van de Velde betoont zich zo op alle fronten een vakman. De decoupage houdt het tempo erin, en de korte scène is een toonbeeld van economisch vertellen. Want hier slaat hij meteen de toon aan die in de rest van de film wordt vastgehouden: een tot ietwat barokke proporties opgepompt realisme, zoals het een goede misdaadthriller betaamt. Evenzeer is er, ook aangenaam bijdetijds, een vleugje macabere humor in Lek verwerkt. En wat blijkt even later: het gaat inderdaad ook over de vriendschap tussen twee jongens. Ze kenden elkaar ooit als kleine ettertjes uit de buurt. Als ze elkaar na jaren weer tegenkomen is de één een jong agentje (Cas Jansen), de ander (Victor Löw) een zware crimineel met dikke bakkebaarden en een nog dikkere Lamborghini.
Knap is vervolgens ook hoe Van de Velde de scènes elkaar in vliegende vaart laat voortstuwen. Hij maakt daarbij elegant gebruik van het contrast tussen humor en spanning. Zo hebben we net een geestige scène gehad waarin de jonge agent met zijn vrouw (Ricky Koole) er schutterend voor een vrouwelijke arts achter komt dat ze maar geen kind kunnen krijgen omdat het met de seks niet zo vlot ("Nou, Eddy komt eigenlijk altijd meteen klaar, heel grappig, en dan floept-ie er zo weer uit"). Een moment later is het rennen door de Amsterdamse Indische Buurt, op jacht naar een voortvluchtige crimineel, onder stuwende klanken van gitaarrock.
Ondertussen draait Van de Velde soepel een kunstig vlechtwerk in elkaar. Hier en daar worden eindjes aan elkaar geknoopt (agent Eddy wordt door de CID onder druk gezet zijn criminele jeugdvriend te vragen informant te worden en zelf als doorgeefluik te fungeren), daartussendoor worden weer nieuwe losse draadjes geweven die om ontknoping vragen (Eddy’s politiechef is er niet blij mee — problemen in het verschiet).
En alsof dat nog niet genoeg is, wordt een overtuigende sfeer neergezet van het landerige politieleven. Beetje slenteren op straat, hangen boven de laptop, keten op kantoor waar de ene saaie mop na de andere wordt verteld: een weinig opwindend leven. Van de Velde krijgt daarbij hulp van een onnavolgbare Thomas Acda, als Eddy’s collega. Ginnegappend en ogenschijnlijk maar wat voor de vuist weg leuterend zet hij een waar monument neer van zo’n zakkige, besnorde oer-Hollandse lul-van-een-agent, met wie veel te lachen valt. Ook Cas Jansen is op zijn plaats. Deze ‘GTST’-acteur lijkt aanvankelijk wat te bleekjes voor de hoofdrol, maar dat maakt hem juist een prima ‘everyman’, een uitstekend vehikel voor identificatie in een thriller die voornamelijk lijkt te willen vertellen hoe dun de scheidslijn is tussen eerlijkheid en corruptie, tussen gewoon je werk doen en naar lucht happen omdat je tot over je oren in de puree zit.

Wansmaak
Al dit vakmanschap ten spijt, er ontbreekt wel iets essentiëels aan Lek. Dat de film geen ferme uitspraken pretendeert te doen over de huidige toestand van het justitiële apparaat of de criminaliteit is makkelijk te vergeven. Ondanks dat de film met een ironisch lachje wuift naar de realiteit (de IRT-affaire) is het per slot van rekening gewoon een thriller, en dan mag je het materiaal zo kneden dat het zo spannend mogelijk wordt. Een politieke of sociologische visie zou dan alleen maar in de weg kunnen zitten.
Maar een duidelijke kijk op de criminele wereld wordt wel node gemist. Het blijft allemaal in stereotypen hangen. De mensen van de kleding en make-up schijnen in Nederland altijd te denken dat de onderwereld een feest van wansmaak is. Daar hebben ze misschien ten dele gelijk in, maar om die flauwe bakkebaarden die Victor Löw kreeg aangemeten zou zelfs Pistolen Paultje zich nog bescheuren. Bovendien wekt Löw de indruk kort tevoren een leuke avond met Jiskefets Michiel Romeyn te hebben doorgebracht. De kleinere criminele rollen zijn nog storender: die hebben van die maniakale lachjes, alsof een Tarantino-epigoon ze een script van een kinderserie in handen heeft gedrukt.
De ietwat barok-gewelddadige toon waar Van de Velde op mikt — Löw houdt tijdens de meest woeste scènes à la John Woo zijn baby aan de borst gedrukt — krijgt bij een dergelijke clichématigheid iets potsierlijks. In een film die de dunne scheidslijn tussen goed en kwaad wil bewandelen moet het kwaad wel een kans krijgen. Nu houdt Van de Velde in de heftige scènes de kijker te veel op afstand om echt rake klappen te kunnen uitdelen.

Chris Buur