• Datum 25-11-2010
  • Auteur
  • Gerelateerde Films HAVEN
  • Regie
    Marjoleine Boonstra
    Te zien vanaf
    01-01-2004
    Land
    Nederland
  • Deel dit artikel

De nacht in de Amsterdamse haven is van de scharrelaars, de muzikanten, rouwdouwers, hoerenlopers, feestnummers, schippers, matrozen en werklui. Gelukszoekers in een koude midwinternacht.

Dat is het beeld dat regisseuse Marjoleine Boonstra en cameraman Stef Tijdink met hun sfeervolle documentaire Haven — omzwervingen in de nacht weten op te roepen. Met totalen van de oude NSDM-werf, een rangeerterrein, de tippelzone en een nachtelijke kantine, afgewisseld met details van het koude water en staal, de kranen en schepen, en de knusse onderonsjes met de werkers en bewoners van het gebied, maken ze de nachtelijke haven tot een tussenwereld, tussen waken en slapen; droom en werkelijkheid. Ook de kijker krijgt volop de gelegenheid om bij de bespiegelende beelden zijn eigen gedachten de vrije loop te laten.
In Haven is de nacht koud en blauw, doorbroken door het geel en rood van kunstmatig licht, spiegelingen op het wateroppervlak, de damp van warme erts, met een sneeuwbuitje en een kampvuurtje kaal en knus tegelijk. Niets is éénduidig, alles kan als een symbool worden opgevat voor iets groters: de kijker mag het uitmaken. De geluiden van stalen constructies, draaiende motoren, een blikken stem over de intercom en een tot stilstand komende trein roepen de silhouetten van Plato’s grot in gedachten. Boonstra gebruikt alle filmische middelen op haar palet om van de haven een veelkleurige sprookjeswereld te maken die Nostalgia heet.
In die wereld leven wezens, mensen die door Boonstra tegen dat dubbelzinnige decor zijn geportretteerd. De haven is hun toevluchtsoord, schuilplaats, (vroegere) werkplek of verbinding met land van herkomst. Uit de gesprekjes die ze voor de neus weg lijkt te voeren blijkt dat ze allemaal een binding hebben met die plek, een verleden met de haven. John van Bonaire komt uit een scheepbouwersfamilie, een zwerfster werkte er in een vorig leven als arts, een Filippijnse bootjongen is er op doorreis. De kraanmachinist, een nachtwaker; allemaal hebben ze hun verhaal over geluk en ongeluk: voor je het weet verlies je er je portemonnee, een vinger of je hoofd.
Wat hen bindt is heimwee naar betere tijden, een verloren paradijs dat nooit heeft bestaan. ‘Vroeger liepen hier 6000 arbeiders rond’, vertelt iemand over de nu dode NSDM-werf. Nu is er een housefeest met een halfslapende jongen. ‘Mensen komen hier om te sudderen’, zegt John.
Maar dat wil niet zeggen dat er geen geluk te vinden is tussen al die dode elementen. Dat zit hem in het hebben van een eigen plekkie, een zelfgefabriceerd schoonmaakelixer, een zak kippenboutjes, in de schepen die de fantasie prikkelen, of de herinneringen aan een moeder. Als het vroege frisse ochtendlicht doorbreekt, weten we dat een mens maar weinig nodig heeft om een beetje gelukkig te zijn: Johns ideaal is een hangmat aan een boom op het strand van Bonaire. Dirk, eigenaar van een groot overslagbedrijf, staat met beide benen op de grond. Mijmerend over de betrekkelijkheid van de dingen, zegt hij: ‘Als je gelukkig kan zijn met een broodje paling, dat is toch prachtig?’

Karin Wolfs