BOWLING FOR COLUMBINE

  • Datum 06-10-2010
  • Auteur
  • Gerelateerde Films BOWLING FOR COLUMBINE
  • Regie
    Michael Moore
    Te zien
    2002
    Land
    Canada/Verenigde Staten/Duitsland
  • Deel dit artikel

Hond met geweer in Bowling for Columbine

Documentaire- en televisiemaker Michael Moore heeft in Amerika evenveel fans als vijanden. Is hij een angry man die Amerika een spiegel voorhoudt of een narcistische demagoog? In Bowling for Columbine onderzoekt hij de Amerikaanse geweldscultuur. Waarom wil elke Amerikaan een wapen? Een portret van een filmactivist die Amerika aan het volk wil teruggeven.

Michael Moore: "Deze idoten zijn wij."

Geen treuriger aanblik dan een zaaltje in een wijkgebouw waar een Nederlandse politicus de kiezers komt toespreken. Bij de komende verkiezingscampagne zullen we de beelden weer zien: rond formicatafeltjes gezeten mensen die het hondenweer hebben getrotseerd om onder het genot van gratis koffie voorspelbare retoriek te horen. De spreker waarschuwt partij x voor de laatste keer, is gekomen om te luisteren en besluit met de opmerking dat we met zijn allen voor een goed resultaat gaan. Pim Fortuyn was de eerste Nederlandse politicus die begreep dat politiek entertainment is. Wie gehoord wil worden, moet zorgen dat er wat te lachen valt. De filmactivist Michael Moore wist dat aan het einde van de jaren tachtig al, toen hij debuteerde met de documentaire Roger & me. Het bleek mogelijk om een humoristische film over sociale ontwrichting te maken. Moore’s handelsmerk was gevestigd: een linkse politieke agenda, die met satire en humor wordt opgediend.
De 48-jarige Moore groeide op in de stad Flint in de Amerikaanse staat Michigan. Zoals zoveel inwoners van de stad werkte zijn vader bij General Motors, de grootste werkgever in Flint. De prikklok in de autofabriek bepaalde zijn leven. Een hele generatie Amerikaanse zonen zag in de jaren zestig en zeventig hun vaders veranderen van stoere helden in uitgeputte fabrieksslaven. Het riep bij Moore een mengeling van woede en compassie op. Arbeiderszoon en Moore’s leeftijdgenoot Bruce Springsteen trof in 1978 de juiste toon in het deprimerende lied ‘Factory’: "Through the mansions of fear, through the mansions of pain/I see my daddy walking through them factory gates in the rain/Factory takes his hearings, factory gives him life/The working, the working, just the working life." Als Moore liedjesschrijver was geweest, had de tekst van hem kunnen zijn.

Kloof
Had het leven niet meer te bieden dan veertig jaar fabriekswerk? Moore werd een politiek bewuste jongen, die het kapitalisme als bron van alle kwaad zag. Zijn retorische talent bracht hem als achttienjarige in de bestuursraad van zijn highschool. Een politieke carrière leek in het verschiet te liggen, maar na de highschool brak een verwarrende periode aan. Op de universiteit hield Moore het niet lang vol, maar wat hij wel wilde wist hij niet. Uiteindelijk ging hij werken bij General Motors — er moest brood op de plank — maar na de eerste werkdag keerde hij er niet terug.
Hij vond zijn draai met de oprichting van het weekblad The Flint Voice, waarin Moore met een groepje linkse jongeren misstanden in Flint aan de orde stelde. Zijn initiatief werd een succes en Moore maakte naam als satiricus. Al snel heette het blad The Michigan Voice: het ging niet meer alleen om Flint, maar om wantoestanden in heel Michigan. Het succes bleef niet onopgemerkt: Moore werd in 1986 gevraagd voor de redactie van het prestigieuze Mother Jones magazine, dat in San Francisco was gevestigd.
Het bleek een miskleun. Volgens Moore liep er een kloof tussen hem en de rest van de redactie. Het had volgens hem te maken met het verschil in afkomst. Moore kende als arbeiderszoon de wereld van prikklokken en tierende chefs en de andere redactieleden niet, want die kwamen uit de middenklasse. De redactie vond het onzin, beschuldigde Moore van incompetentie en ontsloeg hem. Het was voor het eerst dat Moore zijn blue collar-afkomst als wapen had ingezet. Bij Mother Jones baatte het hem niet, maar later profileerde hij zich succesvol als gewone Amerikaanse jongen, die van honkbal en hamburgers houdt. Het baseballpetje dat hij altijd op heeft, moet zijn gewoonheid onderstrepen.

Hardvochtigheid
Na het ontslag zakte Moore, terug in Flint, weg in een depressie, die verdween toen hij een ambitieus project bedacht: een documentaire over de invloed van General Motors op Flint. Moore had geen cent te makken, maar met het organiseren van bingo-avonden schraapte hij het budget bij elkaar. Het resultaat was Roger & me, dat de sociale ravage toont die General Motors in Flint had aangericht. De Amerikaanse auto-industrie leed onder de concurrentie van goedkope Japanse auto’s en General Motors sloot in de jaren tachtig zijn fabrieken in Flint. Veertigduizend mensen verloren hun baan. Duizenden gezinnen raakten in de vicieuze cirkel van financiële sores en sociale problemen.
Roger & me hekelde het beleid van General Motors, dat voor Moore illustratief was voor de hardvochtigheid van het kapitalisme. Dat de film ook amusant was, kwam door Moore’s briljante vondst om zijn poging om General Motors-directeur Roger Smith te spreken te krijgen als running gag in de film op te voeren. Het leverde komische scènes op van een zich verbergende captain of industry, die geen benul heeft van de sociale rampen die hij aanricht.
Het is ironisch dat het grootkapitaal Moore met Roger & me tot miljonair maakte. Warner Bros vermoedde een hit in de documentaire en betaalde Moore drie miljoen dollar. Het werd hem in dogmatisch linkse kring niet in dank afgenomen. Moesten we in deze miljonair, die later in Manhattan een appartement kocht en zijn dochter op een particuliere school deed, een arbeidersheld zien? Ook verweet men hem narcisme: volgens een linkse criticus zou de film Roger & me, me, me, me moeten heten. Nog steeds wordt Moore dergelijke kritiek voor de voeten geworpen. Het maakt een kleinzielige indruk: mag een rijke niet opkomen voor arbeiders? Bovendien beweert Moore dat hij een derde van zijn inkomen weggeeft. Rechtse critici hadden andere problemen met Roger & me. Ze verweten Moore gegoochel met feiten. Dat klopt, maar het haalt de strekking van de film niet onderuit. Het staat buiten kijf dat het vertrek van General Motors uit Flint de stad in ellende stortte.

Voorverpakt
Na Roger & me werkte Moore in de jaren negentig als een bezetene. Hij maakte de satirische tv-series The awful truth en TV Nation over de uitwassen van het Amerikaanse kapitalisme, de documentaire The big one, over het amorele gedrag van multinationals in de Derde Wereld, en de geflopte satirische speelfilm Canadian bacon, over een Amerikaanse oorlog tegen Canada. Tussendoor schreef hij de satirische boeken Downsize this!, Adventures in a TV nation en recent Stupid white men. Moore’s doelwitten zijn in die tien jaar niet veranderd: multinationals, mediaconglomoraten en conservatieve politici. Zijn huidige favoriete vijand is Bush. Moore noemt hem in ‘Stupid white men’ ‘thief in chief’ en, met een verwijzing naar de volgens Moore gestolen verkiezingsoverwinning, ‘een kraker in het Witte Huis’. Aan geestige oneliners heeft hij nooit gebrek: "Het is gebruikelijk dat politici pas boeven worden als ze in functie zijn, maar deze kwam voorverpakt binnen."
Moore’s visie op Amerika is simpel: er is een goed en een slecht Amerika. Het slechte Amerika zetelt in het Witte Huis en in de kantoren van multinationals. De gewone Amerikanen — Moore gebruikt zonder ironie nog wel eens het woord volk — vormen het goede Amerika. Maar er is hoop: "De slechteriken zijn een zootje dwaze, stompzinnige witte mannen, maar wij zijn met veel meer."
Moore lijkt een late representant van de Populistische Beweging uit het einde van de negentiende eeuw. De aanhangers meenden dat een groepje groot-industriëlen en politici samenspanden tegen de massa van eenvoudige, goede Amerikanen. Ook Moore is gevoelig voor complottheorieën. Zo meent hij in Stupid white men dat er helemaal geen sprake is van een economische recessie. Hij wordt ons aangepraat. "Er is geen recessie, mijn vrienden. Geen teruggang. Geen zware tijd. De rijken bergen de buit op die zij de laatste twee decennia hebben verzameld en ze willen zeker weten dat jullie niet komen voor jullie deel van de taart." In een interview betoogt hij echter vrolijk het omgekeerde, want volgens hem wil de "pathetische leugenaar" Bush een oorlog tegen Irak om de aandacht af te leiden van de belabberde economische situatie.
Moore is gemakkelijk te betrappen op inconsistenties, maar dat neemt niet weg dat hij de vinger op vele zere plekken legt. Hij maakt zich niet als enige Amerikaan zorgen over de relatie tussen grote bedrijven en politici, de invloed van het militair-industriële complex op Bush, de opmars van de intolerante conservatieve moraal, de druk op kritische media, de groeiende armoede in Amerika en het eeuwige racisme. Zijn humor en satire onderscheiden hem van andere critici. Een recensent van Stupid white men typeerde hem treffend als een Noam Chomsky met humor. De kritische boeken van de humorloze Chomsky wil niemand lezen, maar de boeken van Moore, die Chomsky’s politieke opvattingen deelt, zijn bestsellers. Moore beseft dat de verpakking minstens even belangrijk is als de inhoud

Angstcultuur
Met Bowling for Columbine richt Moore zich nu eens niet op het grootkapitaal, maar op een veelkoppig monster: de Amerikaanse geweldscultuur. Het uitgangspunt is simpel: waarom komen er jaarlijks meer dan elfduizend Amerikanen door kogels om het leven en in Canada en de grote Europese landen een paar honderd? Wat is de bron van de Amerikaanse geweldscultuur? Wat volgt is een bizarre tocht langs de uitwassen van de Amerikaanse geweldscultuur. Moore bezoekt met een slachtoffer van de schietpartij op de Columbine highschool, waar twee leerlingen in 1999 een slachting aanrichtten, de supermarkt K-Mart, waar kogels vrij te koop zijn.
Ook bezoekt hij een bank, waar iedereen die een rekening opent een geweer als welkomstgeschenk krijgt ("More bang for your buck"). Marilyn Manson mag klagen dat hij de schuld krijgt voor elke onbegrijpelijke geweldsdaad. De standup comedian Chris Rock merkt op dat Amerika er anders uit zou zien als een kogel vijfduizend dollar zou kosten. Met een compilatie van archiefbeelden van Amerikaans militair ingrijpen in de laatste vijftig jaar in Zuid-Amerikaanse en andere landen, betoogt Moore dat Amerikanen niet alleen thuis op straat maar ook in internationale relaties eerst schieten en dan praten. De media creëren met hun hysterische aandacht voor geweld een angstcultuur, die wapenfabrikanten geen windeieren legt.
De climax van de film is Moore’s bezoek aan Charlton Heston, die als voorzitter van de wapenlobbyclub National Rifle Association mag uitleggen waarom hij met een geweer onder zijn kussen slaapt. De stamelende Heston is niet bestand tegen Moore’s guerilla-aanpak en sneuvelt in het verbale vuurgevecht.
Bowling for Columbine is een duizelingwekkende tocht door de Amerikaanse geweldscultuur. Het is Moore’s beste film, omdat de maker deze keer geen pasklare antwoorden heeft. Het gaat niet om arbeiders versus grootkapitaal, niet om goede Amerikanen tegen slechte, want de hele Amerikaanse samenleving is besmet door de geweldscultuur. Het is Moore’s verdienste dat hij in Bowling for Columbine zichtbaar maakt hoe diep het geweld geworteld is. Hij houdt de Amerikanen een spiegel voor: deze idioten zijn wij. We hebben een cultuur gecreëerd waarin een zesjarige met een geweer naar de kleuterschool kan wandelen om een andere zesjarige dood te schieten.
Met Bowling for Columbine maakt de populist Moore plaats voor een man die verbijsterd om zich heen kijkt. De film is een ‘wake up call’, maar het wakker worden kan nog even duren. Een Amerikaan moet zijn gezin kunnen verdedigen, vinden velen met president Bush, die in Texas verordonneerde dat gelovigen hun wapens mogen meenemen naar de kerk. Gewapend kunnen ze er bidden voor hun jaarlijks meer dan elfduizend door kogels omgekomen landgenoten.

Jos van der Burg