Wonder Woman
Broers
La región salvaje
En amont du fleuve
Daughters of the Dust
ZOMERHITTE Nederlandse film: waar is het lef?

Goedlachs en ongevaarlijk

In het Oktober Manifest, gelanceerd tijdens het Nederlands Film Festival 2005, werd opgeroepen tot een nieuwe Nederlandse auteurscinema. Vijf jaar later kijken we hoe het ervoor staat.

Lef kan het Nederlands Film Festival niet ontzegd worden nu het zichzelf tijdens de feestelijke 30e editie de confronterende vraag stelt hoe goed de Nederlandse film de tijdgeest vangt. Want het antwoord is: beroerd. Zelfs festivalsponsor de Volkskrant kan zijn irritatie nauwelijks verhullen: 'met enige vertraging' concludeert de krant eufemistisch in de jaarlijkse festivalspecial. Pijnlijke maatschappelijke problemen als crisis, onzekerheid, angst en onderlinge spanningen worden nauwelijks opgepakt en wanneer iets dat in de verte naar actualiteit ruikt wel de inspiratie vormt voor een verhaal, dan komt het op het scherm terecht in de vorm van een goedbedoelde komedie (gangsterboys), een musical (carmen van het noorden) of een conventioneel huis-, tuin- en keukendrama (komt een vrouw bij de dokter).

Urgentie
Door die vraag te stellen plaatst het NFF een terugkerend punt van kritiek middenin de schijnwerpers. En dat is nodig ook. Met de bezoekersaantallen van de Nederlandse film mag het de laatste jaren beter gaan — van een marktaandeel van minder dan 1 procent in 1994 naar 17,6 procent in topjaar 2008 —, urgentie ontbreekt haast volkomen. Inhoudelijk en esthetisch. Er is een klein aantal uitzonderingen — zoals op deze editie van NFF Hanro Smitsmans schemer — maar die krijgen het steeds moeilijker doordat meer en meer wordt ingezet op tandeloze en beproefde verhalen.

Risico
Het is lastig om de precieze oorzaak aan te wijzen voor dat gebrek aan urgentie, maar het lijkt te maken te hebben met een overheersend gebrek aan lef om onconventionele en confronterende films te maken, gecombineerd met een verstikkende overlegcultuur waarin dichtgetimmerde procedures alle eigengereidheid en risico uit de filmplannen slopen.
Frank Lammers klaagde vorige maand in Nieuwe Revu dat de Nederlandse film commercieel en fantasieloos is geworden. Volgens hem zit er niks anders op dan zelf aan de slag te gaan. Die mentaliteit zagen we vaker. Aryan Kaganof was er een exponent van, Eddy Terstall, en de laatste jaren onder meer David Verbeek met beat en Sander Burger met olivier etc. Robert Jan Westdijk liet in 1995 met zusje zien dat je met veel enthousiasme en weinig geld een spetterende nieuwe film kon maken en bovendien prijzen kon winnen en redelijk wat publiek naar de bioscoop kon halen. Reden voor een groep filmjournalisten om vier jaar terug het boek De Broertjes van Zusje te schrijven, omdat ze vonden dat ZUSJE een mijlpaal in de Nederlandse film was die hopelijk een vervolg zou krijgen: frisse cast en crew en vooral originele films. Maar dat vervolg kwam niet. In plaats daarvan is de Nederlandse film bezig een heel andere kant op te gaan.

Het grote plaatje
Even the big picture. Elk land gebruikt film als vermaak. Maar film, het mag bekend zijn, mag ook magistrale verbeelding zijn en een speelplaats voor visuele stijlen. Bovendien mag het reflectie bieden. Op eigentijdse problemen, op de eigenaardigheden van een volk en op de veranderingen die een land doormaakt. Behalve door hun vernieuwende vorm is dat de reden waarom de grote Italiaanse en Franse regisseurs — maar ook de huidige generaties Roemeense en Mexicaanse regisseurs — zo aansloegen: mensen voelden zich diep geraakt omdat die films dankzij de verbeelding van de makers met een geheel eigen karakter de tijdgeest weerspiegelden. Worden we door Nederlandse films diep geraakt? Slechts bij hoge uitzondering. En dan nog is het dankzij het doorzettingsvermogen van individuele regisseurs, schrijvers en producenten die zich op hun tandvlees een weg naar de eindmontage vechten.

Manifesten
Pleidooien om het anders aan te pakken waren er genoeg. Al in 1928 vocht Menno ter Braak in zijn Cinema Militans-lezing voor de film als kunstvorm. Recht daar tegenover stond dan weer het 1,2,3 Manifest van de 1,2,3 Groep uit 1964 (waaronder Frans Bromet, Rem Koolhaas en Jan de Bont) die niks moesten hebben van filmisch snobisme en het 'Franse geleuter', zoals Bromet in 1997 nog tegen Trouw zei. In 1999 riepen vervolgens de Fantasten met hun Manifest voor de Verbeelding op tot meer fantasie in de Nederlandse film. Begin 2005 openden vervolgens filmmakers in het Platform Auteursfilm (Paf!) de aanval op Filmfonds en omroepdramaturgen met de roep om meer auteursfilms en minder inhoudelijke bemoeienis. Even later, in november 2005, was het regisseur Jos Stelling die tijdens het NFF het initiatief nam tot het Oktober Manifest, met daarin de beginselen van een nieuwe Nederlandse auteurscinema. De een riep op tot meer fantasie, de ander tot meer eigengereide regisseurs. Maar allemaal wilden ze af van de overheersende conventionele, voorspelbare manieren van verhalen vertellen.

Prijzen
Hebben die oproepen gevolg gekregen? Een flinke selectie uit de opbrengst van 2009: stella's oorlog, komt een vrouw bij de dokter, terug naar de kust, carmen van het noorden, het leven uit een dag, kan door huid heen, links, oogverblindend, de laatste dagen van emma blank, de hel van '63, de storm, atlantis, anubis en de wraak van arghus, sinterklaas en de verdwenen pakjesboot, spangas op survival, lover of loserspion van oranje en nog wat telefilms. Waar is — afgezien van weer die enkele uitzondering — de eigengereide auteur? Waar is de tijdgeest? Waar de fantasie? En minstens zo belangrijk: waarom is bijna geen enkele film in staat werkelijk diep te raken?
Er is wel plaats voor ongeïnspireerd uitgevoerde boekverfilmingen, een handjevol komedies en een naar verhouding flinke hoeveelheid jeugdfilms. Ergens onderaan bungelen dan een of twee films die wel indruk maken en filmisch iets te vertellen hebben. Bovendien valt de slaapverwekkend conventionele vorm van veel producties op.
Dat gebrek aan urgentie wordt niet alleen hier gesignaleerd. Kijk naar de prijzen voor Nederlandse films in de competities van belangrijke internationale festivals. Die zijn er niet. We laten nothing personal even voor wat het is, de uitzondering bevestigt de regel. Dat feit alleen al zou toch moeten aansporen zaken anders aan te pakken. De Nederlandse film is helaas goedlachs en ongevaarlijk. Als film de moderne mythologie is waarin geweten, ego en onderbewustzijn van de samenleving verbeeld zijn, wat is hier dan aan de hand met die filmcultuur?

Gevecht
Filmmakers voeren een dubbel gevecht: tegen politieke onwil om een volwaardige filmcultuur te creëren en tegen de angst van de filmindustrie om daar tegenin te gaan door onconventionele verhalen te maken. Veel te weinig mensen durven risico te lopen. Toch is het cruciaal om in te zien dat Nederlandse arthousefilms de eerste tien jaar niet aan de opbrengsten van blockbusters en jeugdfilms zullen kunnen tippen. Misschien wel nooit. Dat moet geen reden zijn om af te haken, dat moet juist een reden zijn om in de aanval te gaan en onze filmcultuur te versterken. Het publiek moet veroverd worden. Door eigen stijlen te ontwikkelen, dus een filmtraditie op te bouwen, maar ook door die films beter te verkopen.
In plaats daarvan zijn de filmwereld en de heersende politieke ideologie de opbrengsten van grote publieksfilms als zaligmakend gaan zien en geven ze steeds minder ruimte aan risicovolle projecten. Lammers heeft gelijk: de winstcijfers zijn leidend geworden want ook de cinema wordt uitsluitend nog als markt gezien. Maar wanneer we cultuur tot markt reduceren is pas echt sprake van een achterlijke cultuur.

Crux
Waar staat de Nederlandse film? Op een breekpunt. Een breekpunt op weg naar een volwassen filmcultuur waar behalve spion van oranje en een verzameling jeugdfilms ook elk jaar minstens een stuk of vijf scherpe, onconventionele, visueel overdonderende arthousefilms kunnen worden gemaakt. Maar in plaats van de prille filmtraditie verder op te bouwen is men alweer begonnen die af te breken door te verlangen dat alle cultuur winstgevend gemaakt wordt. Daar zit de crux. Het is diep triest om steeds te moeten herhalen dat de waarde van cultuur niet alleen zit in de pegels die het oplevert. En dan hebben we het nog niet eens over de dreigende beslissing van het Rotterdamse gemeentebestuur om de lokale filmindustrie maar helemaal de nek om te draaien door elke vorm van financiële steun af te schaffen.

Rammelen
Wie de Nederlandse film bekijkt over de periode 1958 (dorp aan de rivier) tot 2009 (kan door huid heen), zal het opvallen dat er onderhand best een rijke filmtraditie is. Maar die is het resultaat van de vechtlust van eenlingen die eerder ondanks dan dankzij de financiers hun films realiseerden. Slechts een kleine groep filmmakers blijkt door de jaren heen in staat een eigen stijl te ontwikkelen. Maar vaak zie je zelfs bij hen de funeste adviezen doorschijnen van omroepdramaturgen, producenten en alle anderen die zich ermee bemoeien. Gevolg: overbodige voice-overs, onnodig verklarende dialogen, rammelende structuren, typecasting en platte personages. De auteur met een uitgesproken eigen stijl is zeldzaam omdat die stijl in onze overlegcultuur onvermijdelijk teruggebracht wordt tot een zouteloos compromis. En in een overlegcultuur, weten we inmiddels, is geen sprake meer van echte oppositie.
Er is genoeg bewijs dat het systeem niet werkt. Dus: geef een klein aantal veelbelovende arthousefilmers minstens vijf jaar de ruimte om te groeien zonder dat voortdurend aan hun stijl en ideeën wordt gezaagd.

De tijdgeest vangen betekent onbekend terrein verkennen. Nieuwe vormen, nieuwe verhalen. Daar hoort risico bij. Financieel en esthetisch. Dat is wat een volwassen filmcultuur behelst.
De oplossing hoeft niet ingewikkeld te zijn. Meer internationale coproducties — die vergroten, geloof het of niet, ook de kans om op buitenlandse festivals in competities terecht te komen — wat meer geduld met stimuleringsmaatregelen en vooral filmmakers de ruimte geven door ze gedurfde, beeldende verhalen te laten maken. Scherp kiezen in alles. Dan vangen we de tijdgeest vanzelf.

Ronald Rovers

top
Artikelen
Nederlandse film: waar is het lef? Goedlachs en ongevaarlijk
3 to watch
Rietveld eindexamenfilms Meer durf, zeggingskracht en ideeën graag

Interviews
Joe over UNCLE BOONMEE... Film als tijdmachine
Semih Kaplanoglu over de Yusuf-trilogie Leven in flashback
Hanro Smitsman over SCHEMER 'Er moet iets op het spel staan'
Julie Bertuccelli over THE TREE 'Het moest niet té fantastisch worden'
Soldini, Rohrwacher en Favino over COSAVOGLIODIPIÙ 'Vrouwen vertellen me meer dan mannen'
Take 5 Thomas Vinterberg over submarino

Rubrieken
Redactioneel
FilmKort
FilmSterren
FilmThuis
FilmBoeken Eenmansorkest
FilmWeb
WebFilm
FilmPers
Evenementen (Focus)
World Wide Angle (NL)
Actie!

Nieuws
Carrièreswitch
Don Quichot
Ecofilmfreak
Filmweekgeschenk
Geen slaaptelevisie
Kaas en brood
Pure liefde

Recensies
BABIES Baby's, baby's en nog eens baby's
BRIEFGEHEIM Spannende kinderthriller
BROTHERHOOD Brokeback Nazi
COSAVOGLIODIPIÙ Een leven vergeten in een moment
EAT PRAY LOVE In 80 wijsheden de wereld rond
HONEY Het bos in
THE KILLER INSIDE ME De ontsnappingskunstenaar
DE KROKODILLENBENDE Vet coole boomhut
LANG & GELUKKIG Roodkapje op steroïden
SCHEMER Moord in de uiterwaarden
SLOVENIAN GIRL Oostblok? Seksindustrie!
SNEL GELD (SNABBA CASH) Enerverende crimi uit het noorden
THE TREE Pratende takken
UNCLE BOONMEE WHO CAN RECALL HIS PAST LIVES Andere gedaantes